Poëzie-Leestafel

...

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Mark Meekers

Recensie over de bundel

Over Leven en Overleven in Tanzania
Mark Meekers


geschreven door Thierry Deleu

 


Het mooiste dat ik in 2009 in handen kreeg.
Op de laatste dag van het jaar!

 

Wat een luxueuze bundel! Bijna te mooi om Over Leven en Overleven in Tanzania te gaan! Dit is geen kritiek, gewoon een opeenvolging van verwondering, bewondering, met de mond vol tanden staan.
De logo’s van de tweeëntwintig sponsors verklaren veel (maar niet alles). De uitgever Bollé Bollé (Ontwikkelingshulp die mensen in hun waarde laat groeien) zag het zó, punt, andere lijn.
Meester Jef Vermassen (de alomtegenwoordige - bijna Alom) schreef een beschouwend voorwoord. 77 schitterende kleurenfoto’s van Antoon Verelst en Bram Rumbaut illustreren de 32 gedichten.
De opbrengst van deze bundel gaat integraal naar de verbetering van de levensomstandigheden van de plaatselijke bevolking, o.a. voor de bouw van een school met internaat voor 480 meisjesstudenten.

Deze Afrika-gedichten beschrijven niet alleen anekdotisch het leven in Tanzania, maar gaan ook dieper in op tradities, opvattingen en levenswijze van de bevolking. Verschillende stammen worden raak beschreven. Kinderen, scholen en ambachten komen aan bod. Er wordt gekeken wat de pot schaft. Geen overdreven lyriek of pathetiek, ook geen doorgedreven realisme. Natuurlijk zijn ergernis en plaatsvervangende schaamte aan de orde, maat de algemene toon blijft positief, zoals de plaatselijke bevolking in alle omstandigheden de moed erin houdt: “Hakuna matata”. Neen, dit is geen gelegenheidspoëzie.

Meester Vermassen vindt “de teksten zeer intens en diepzinnig”. Poëzie die niet fabuleert maar ingaat op de diepere inzet van leven en dingen. Het citaat van Czeslaw Milosz: “Wat is poëzie die volkeren noch mensen redt?” is hier op zijn plaats.

Over Leven en Overleven in Tanzania is een poëtisch fotoboek. Fotografie heeft lange tijd een tweederangsrol gespeeld in de kunst. De eerste kunstfotografen werden als concurrenten beschouwd van de schilderkunst. Met het ontstaan van het fotorealisme viel dit misverstand weg: schilders maakten foto’s na. Fotografie werd vanaf toen een volwaardig medium in de kunst. Kunstenaars hebben het medium verder uitgebreid met nieuwe mogelijkheden. De foto’s van Antoon Verelst en Bram Rumbaut zijn technisch gaaf, haarfijn, expressief, met oog voor detail, kleur, beweging, grote mensen, kleine mensjes met de glimlach van de hoop, de verwachting dat het beter wordt enerzijds en anderzijds de lens op het dagelijks gebeuren: het belang van de dieren, van water, vervoer, elementair onderwijs.

“Mark Meekers schrijft hier poëtisch gedragen proza,” denk ik bij een eerste vluchtige lezing. Maar deze eerste indruk is niet juist: de dichter overstijgt het verhaal.

Ook nu weer verweven Meekers en Rademakers hun identiteit tot magie en transcendentie. De schilder kijkt toe over de schouders van de dichter en moedigt hem aan bij elke metafoor. Zo ontstaat vaak een paradox tussen het aanbreken van de dag (toekomst) en de nakende dood (einde van het heden). De mensen over wie Meekers dicht (“schrijft” klinkt mij beter in de oren) worden in hun grootmoedigheid getekend en in hun beperktheid tot hoop vs. wanhoop verkleint. Hun fierheid, hun trots, hun hoogmoed wordt bezongen, hun grenzen waarbuiten zij niet kunnen gaan, worden aangeklaagd. Tussen deze twee uitersten leeft veel emotie, een ruimte vol emotie die de dichter de kans biedt tot een boeiend en origineel spel van woorden en beelden, tussen het verbeelde (de geest) en het uitgebeelde (het lichaam), tussen de echte realiteit en het frivole van de taal.

Meekers beschikt over een indrukwekkend creatief taalgebruik, over pakkende metaforen en vernuftig taalspel, ingrediënten die nooit uit de stevige structuur van het gedicht ontsnappen. Zijn gedichten in Over Leven en Overleven bezitten een stevige constructie, klassieke opbouw, barok maar evenwichtig, vier strofen van vier versregels die nergens het ritme verstoren.
De wijze waarop Meekers mensen en dingen in Tanzania heeft aangepakt, getuigt van grote dichterlijke vaardigheid. Nergens wordt zijn beeldspraak overdadig. Nergens hindert zij het serene van het thema, de filosofie van het opzet. Hij schildert met woorden, combineert taalgevoel met plasticiteit, impressies met expressie.

Meekers vindt zich terug in Rademakers, zij refereren permanent aan elkaar. Zij vinden elkaar terug in een woord, een beeld, een situatie. Het standpunt van de beeldende kunstenaar en de zoektocht van de dichter naar geestelijke affiniteiten beheersen inhoud en vorm. Neen, dit leidt niet tot inteelt, maar tot een vruchtbare kruisbestuiving. Nooit wordt een gedicht handwerk, want ook inhoudelijk is het in- en -aanvoelbaar.

De dichter observeert, beschouwt, mediteert, tast zijn onder- en bovenbewustzijn af en distantieert zich van wat hij weet of anderen hem aanpraten. Kunst is geen wetenschap.

Rademakers in Meekers is minder verstandig, want sinds de uitvinding van het woord weegt het zwaarder door dan het visuele. Meekers mengt op subtiele wijze kleuren, klanken, horen en zien, kortom: hij streeft naar eenheid tussen het verbale en het picturale. Hij schildert met woorden en hij praat in kleuren, hij denkt in beelden en beweegt op muziek.

Nergens ontaardt zijn taal en taligheid in verbale acrobatiek. Elk gedicht van Mark Meekers communiceert met de lezer. Hij doet dit in een vrij opvallend schema van vier maal vier kwatrijnen.


Authentiek

 

ze zijn de echo van echo’s die over vele
heuvels kwamen. vrij omdat geen zoldering
of wet hen boven het hoofd hangt, tijd
geen uurwerken vindt om de pols te boeien.

ze praten met hun kudde en hun maïs,
houden een karabijn aan de verkeerde kant.
te lang met de natuur geslapen, teveel naar
het strijkorkest van de wind geluisterd.

de hoogste snelheid is die van een speer.
eeuwig leven zegt meer dan eeuwige twijfel.
bier, tranen en logica zijn luxeartikelen, dus
dansen ze, giechelend, losjes in alle tenen.

omdat ze westerse vooroordelen foutloos
invullen, onze dromen te mooi vermoorden,
geen tralies voor een dierentuin hebben,
is verbeteren armoede hier werelderfgoed.


De poëzie van Mark Meekers in Over Leven en Overleven in Tanzania raakt mij, beroert mij, streelt, shockt, ontroert. De wijze waarop hij de volksstammen, hun kinderen, beschrijft, poëtisch omhult, hen mooi maakt, maakt indruk. Hun levensvreugde (met zo weinig) steekt schril af tegen onze gedeprimeerde Westerlingen (met zó veel).

Zoals Vermassen schrijft, “hebben die zwarte vreugdezaaiers de bange blanke man een groter geschenk aan te bieden dan de materiële steun die wij hun verlenen.”

Meekers probeert zijn boodschap duidelijk te maken, hij maskeert niet. Hij hoedt zich voor hermetisch dichten, - dit vergroot de vervreemding, - hij brengt de inhoud dichter bij de lezer via beeld, vergelijking, metafoor. De woorden hebben een emotionele efficiëntie. Ze maken de inhoud tastbaar en aanvoelbaar. De dichter beoogt toegankelijkheid en schrijft begrijpelijke poëzie.

Nergens toont hij overtrokken emotie. Nergens etaleert hij zieligheid, niet bij hem zelf en niet bij de Tanzanianen.

 Een sterke bundel poëzie, een bijzonder mooi fotoboek. Asante sana! Dank u wel, Mark!

 

Thierry Deleu

Mark Meekers, Antoon Verelst en Bram Rumbaut, Over Leven en Overleven in Tanzania, Bollé Bollé, Ontwikkelingshulp die mensen in hun waarde laat groeien, 2009, een uitgave bij het gouden priesterjubileum van pater Albert Bolle, Igunga, Tanzania

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER