Poëzie-Leestafel

...

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Peter Swanborn

 


Recensie over de bundel

Tot ook ik verwaai

Peter Swanborn

geschreven door Librije


Poëzie heeft vele gezichten. Gedichten kunnen vrolijk of somber, uitbundig of ingetogen, lieflijk of rauw, zuiver of misleidend, realistisch of sprookjesachtig en nog veel meer zijn. Welke soort poëzie een lezer aanspreekt hangt vaak samen met persoonlijke voorkeuren, achtergrond of levensfase. Gedichten kunnen ook troostend zijn: als een lezer zich begrepen weet in een door de dichter geschetste trieste situatie. En dat laatste is zeker het geval met de poëzie in deze bundel.


In 37 gedichten beschrijft Peter Swamborn ( 1963) indringend de voortschrijdende dementie van zijn moeder en wat dat betekent voor haarzelf en haar omgeving. Het zijn gedichten die je direct raken, ook al heb jezelf niet met deze situatie te maken. Het verdriet, de angst, de wanhoop en tenslotte de berusting die daarmee gepaard gaan maakt hij via zijn poëzie invoelbaar. Zonder sentimenteel te worden.


Wie wel met dementie te maken heeft, zal de bundel tot op zekere hoogte troostrijk vinden. Te weten dat je niet de enige bent die dit overkomt. Lezen hoe anderen deze periode beleven en er mee omgaan. Maar ook confronterend: doe ik het wel goed, hoe voelt de zieke zich, in hoeverre mag/moet het gewone leven doorgaan?


De bundel omvat 3 delen. In deel 1 (14 gedichten) wordt de beginnende dementie van de moeder beschreven. Ze woont dan nog thuis. In deel 2 (12 gedichten) is de dementie al veel erger: de moeder is inmiddels opgenomen in een verzorgingshuis. In deel 3 (11 gedichten) komt het sterven van de moeder nader en bereidt de familie zich daarop voor. Het thema blijft steeds hetzelfde: de beschrijving van de voortschrijdende ziekteverschijnselen, de wanhoop van de zoon over de aftakeling van de moeder en de reacties van andere familieleden.

 

Wandeling

 

Naar buiten, zegt ze, ja graag, even
een stukje lopen en dan wat nuttigen,
cappuccino en bitterballen. Maar eerst
naar de bramenstruik. Zijn ze al zwart?


Na honderd meter schuifelen en steunen
langs de vertrouwde rivier, de berm vol
onbenoembare bloemen, klinkt angstig:
jij weet waar we zijn, hè?


Terug van boom naar boom, wachtend

tot weer op adem, is de gedachte aan

bramen en bitterballen lang vervlogen.

 
Hier is de deur, de lift, de gang, eindelijk
binnen, jas uit en dan de vraag: zeg,
ik zou zo graag even naar buiten.

 
De vorm van de gedichten is modern, al hebben ze ook klassieke kenmerken. Zoals het gedicht hierboven: qua vorm is het een sonnet, maar zonder het rijmschema dat daarbij hoort.

Net als bij de overige gedichten is er interpunctie, maar er is geen eindrijm en er zijn enjambementen (doorlopen van de zin over het einde van de versregel). De niet afgemaakte zinnen en de enjambementen verwijzen naar het afbreken van de gedachten van de moeder en haar teruglopende taalgebruik. Maar ook naar de vaak niet uitgesproken angsten van de familieleden en met name de zoon.

 

Had ik moeten blijven, haar niet alleen,
de nacht op de bank? Had ik haar meer
naar huis? Is ze echt naar bed, geen val

…….

De gedichten volgen elkaar chronologisch op: de moeder herkent haar zoon niet meer:

Ben ik een dokter, klusjesman, een
zoon misschien? Ze spreekt me aan met u,
je weet maar nooit, en glimlacht beleefd.

 
Tenslotte is de gang naar het verzorgingshuis onvermijdelijk en wordt het huis leeggeruimd door de kinderen, terwijl moeder ergens aan de rand van de stad zit:

…….

haar geest een geplunderd huis. In de hoek
een paar laatste herinneringen, achteloos vergeten.
Niemand pakt ze op, zet ze terug in de kast.


Het proces van dementeren gaat door. Als de zoon haar opzoekt, hoort hij haar vrolijk praten, maar hij weet: het is geen visite. Ze gelooft hem niet als hij zegt: Kijk, dat is je spiegelbeeld.

 
……

Ze luistert niet, of doet alsof, praat
liever met iemand die haar gelijk geeft, niet
tegenspreekt. Haar laatste vriendin.


Ze begint te beseffen dat er iets mis is.

 
Ze tast haar hoofd en zegt: er is iets mis.
Ze weet, ziet het gebeuren, kan niets
Doen, alleen herhalen: er is iets mis.

……

Ze wordt boos en bang.

….

Bewakers schimmige figuren die
niet zijn wie je denkt. Niemand
te vertrouwen, het minst jezelf.

 
Tenslotte kan ze ook bijna niet meer spreken. Blijft tegen hem herhalen: ja meneer, ik weet niets meer.

In het laatste deel komt haar sterven nader. De familie houdt rekening met een spoedig overlijden en is al bezig met de voorbereidingen van de begrafenis.

…..

Maar in de tuin staat een bed, een vrouw
in de zon geborgen. Ze neuriet een lied, eet,
drinkt en weet niet, ze is al half begraven.

 
Toch blijft de zoon hopen op een laatste blijk van herkenning en een echt afscheid.

….

Of is het waar, is ze wakker? Ogen half
open in dun perkament. Beeld ik me in
dat ze knikt en zegt: ik weet wie je bent.


De zoon beseft dat hij het onvermijdelijke moet aanvaarden en spoort ook haar aan los te laten. Op zijn troostende woorden reageert ze:

…..

Ogen open. Ze fronst en zegt:

het zal wel.

De titel van de bundel komt uit het gedicht Ring:

 
…………Een geest verdampt,
stolt en neemt genoegen met een ander
lichaam, tijdelijk, tot ook ik verwaai.



Voor informatie over Peter Swanborn en verwijzingen naar andere bundels en recensies en een link naar video-opnamen waarin gedichten uit deze bundel worden voorgelezen door de dichter zelf, verwijs ik naar zijn website: http://www.peterswamborn.nl

 

Peter Swanborn – Tot ook ik verwaai. Amsterdam, Podium, 2009. 49 p. ISBN: 9789057592997.

© Librije, juni 2010

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER