Poëzie-Leestafel

...

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Karel Wasch



Recensie over de dichtbundel

Het geluid van denken

Karel Wasch





Karel Wasch is een veelzijdig mens. Zo werd onlangs zijn boek Zo lang als voor altijd is  - over het leven van Dylan Thomas - gepubliceerd en eerder verscheen van zijn hand de biografie over Jack Kerouac. Verder schreef hij de roman De Belegering van de Jonker, de monografieën In vorm over glaskunstenaar Floris Meydam en Glas en Kristal  over sier- en nijverheidskunst maar ook drie gedichtenbundels, Begane grond en Onlangs nog, en nu is er deze nieuwste bundel Het geluid van denken.


De bundel is volgens de flaptekst "Een poëtische biografie waarbij de lezer als een blinde een beeld aftast, voelt wat het voorstelt en er zo zijn eigen betekenis aan geeft." Dat geeft een mooie voorstelling van zaken en doet me denken aan de afbeelding van een aantal blinde mensen die een olifant mochten aanraken. De een voelde zijn oren, de ander de slurf, weer een ander de poten of de staart en zo hadden al deze mensen een totaal ander beeld van een olifant.

Deze gedichten hebben hetzelfde effect, de ene keer voelt een gedicht bijna als een verhaal maar lees je hetzelfde gedicht een aantal dagen later dan zie je er heel wat anders in. En zo geef je uiteindelijk je eigen betekenis aan de gedichten.


De gedichten zijn opgedeeld in elf Cycli te beginnen met de cyclus De stad. Waar het eerste gedicht De late stad onmiddellijk de troosteloosheid van een donkere, verlaten stad in de nacht oproept.


De late stad


Verspreid geluid vervalt
in middernachtelijke leegte,
gebouwen buigen zich
over duistere passages.
Aan geblindeerde winkelpuien
hangen zware kettingsloten.
Vrachtwagens op lekke banden
- uitgelubberd - op het teer,
boven rioolroosters, bedolven
onder verlepte groente
en verdwaald rottend fruit [...]


In de cyclus Erik wordt in schrijnende maar prachtige regels het verdriet geuit om de verloren vriend. Zoals in het gedicht Momentopname.


[...] 'Grafiet,' zei je, zit middenin een potlood opgesloten.'
Bedoelde je de tekenen des tijds of begreep ik je toen al
niet meer? Sneuvelend op het slagveld van de stad. Bij
afwezigheid
van een oorlog. Ik kijk en zie jouw open ogen
en gras, veel gras, we liggen naast elkaar te dromen.
Adem hoor ik en je slaapt. Of ben je dan al dood?
Het is slechts een momentopname.


Mooier kan een intense vriendschap waarvan je het eind ziet naderen niet verwoord worden.

De gedichten in de cyclus Kerken en vrees geven vooral weer hoe groot de invloed van de kerk op de jonge Karel was, zoals in Kerks 1


[...] Het Koninkrijk van Vrees en As. Het kind in mij
zat hier in datzelfde lijf - weliswaar nog
onvolgroeid - gekweld door smetten, een hart
verteerd door angst [...]

Wachtend op het onvermijdelijke.
De biecht van een onschuldig kind.
 

In de cyclus Dansen in een landschap klinkt vooral veel weemoed door naar verloren relaties. Opnieuw ook de invloed van de kerk waarbij de geliefde persoon opgeslokt wordt door een allesoverheersende geloofsgemeenschap, die verwoestend werkt.


[...] Eens zong je ochtendgezangen
- vernam ik - met de broeders, zusters
van de uitzichtloze gemeente aan de plas
bij de zwartste waarheidsgrond. [...]


Deze hele cyclus is overigens erg ontroerend en aangrijpend, zoals het gedicht En als het waar is wat je zegt waar in beklijvende woorden een ziekenhuisopname en het gevoel na de operatie weergegeven wordt ... maar waar eigenlijk alles draait om die ene, die moet komen...

We lezen over het kind dat denkt dat later, als hij volwassen is, innerlijk rust gevonden zal hebben en alles zal begrijpen.
We lezen over de ontluikende liefde, de eerste keer, de wereld prachtig vinden, het geluk voelen bij het samen zwanen voeren met zijn vrouw.


[...] Ik onbezonnen jongeling, een schaduw
op haar achtergrond weet: telkens weer
ontroert ze mij. Ze pakt mijn hand, ik
zie nu kruimels en haar glimlach
van opzij.

We lezen over het afscheid nemen, van zijn eerste vrouw en van mensen van die stervende zijn, de onmacht, de pijn, het zo veel willen zeggen. Over mensen die gemist worden. "Verdriet is net als pijn/ alleen echt wanneer je het ondergaat."


Er zijn gedichten over zijn moeder te lezen waarin Karel Wasch aangeeft dat een moeder en haar betekenis eigenlijk niet te benoemen is, maar dat maakt de gedichten juist zo aansprekend. Je voelt het zoeken naar woorden evenals het verdriet als zij er niet meer is."Ik weet, mijn koningin is nu niet meer."


In Verwilderd I, II en III komt de radeloosheid en misschien wel de angst om het bestaan naar voren. De schrijver bevindt zich in een bos en is zoekende en angstig. Hij voelt zich ontheemd en onthecht, bang dat hij zijn verstand verliest...


[...] Elke open plek die hij betrad,
leek net te zijn verlaten
door een ander, die had gezeten, was
opgestaan en weggelopen.

Een dubbelganger, die
hem in deze bossen ontweek.
Hij vreesde, als die ander
eens niet zou opstaan en wegglippen
dat hij zichzelf zou tegenkomen
in dat obscure bos.


De bundel is verpletterend eerlijk en toont de kwetsbare mens, die we allemaal in feite zijn. Een bundel om te koesteren.


ISBN 9789062655076 | Paperback met flappen | 73 pagina's | Uitgeverij In de Knipscheer |oktober 2018

Dettie, 19 december 2018

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER


 

poezie


Recensie over de bundel

Alsof er iets van mij overbleef

Karel Wasch

geschreven door
Iris Van de Casteele



Er wordt wel eens beweerd dat de poëzie een goddelijke essentie is. Wat met zekerheid kan gesteld worden is dat ze hoort tot de hogere sferen van het kosmisch gebeuren.

De gedichten uit de bundel ‘Alsof er iets van mij overbleef’ van Karel Wasch, kunnen, naar mijn gevoel althans, niet treffender omschreven worden als zijnde puzzelstukjes horende bij het enorme legbord dat we als oerbegin zouden kunnen betitelen, en dat langs deze weg onder onze aandacht wordt gebracht. De dichter neemt daarbij zijn toevlucht tot bijzonder fraaie metaforen die zich aandienen in een lyrische en subtiele beeldspraak.

Ware dichters zijn profeten, zieners, ingewijden. Ze zien veel verder dan de tijd waarin ze leven. Dit ‘zien’ is een niet achterhaalbaar ‘weten’. Daarom blijven ze als mens vaak en veelvuldig onbegrepen. Wie met aandacht het gedicht ‘De tijd voorbij’ leest, kan niet anders dan erdoor geboeid raken en erdoor getroffen worden:

De tijd voorbij

Ik ben de tijd voorbij
en kniel vol pijn
in een gekneusde pose, laat de tijd
nu wachter zijn.

Verstild ben ik, beneveld ook wellicht
door mijn vertraagd gewicht
onthecht, maar zonder woorden.

Dan val ik diep en woordenloos
in tijd gedrongen samen
ik slaap, zo lang
de stille witte slaap
van as en sneeuw
achter de gazen voorhang.

De kinderen en vogels
zij weten , wie of wat ik ben
 - denk ik, hoop ik -
een stem
één langgerekt gezang
smaragd en duif
verraderlijke slang, lang

heb ik alles afgeweerd
of omgekeerd, toch
ben ik een stem
die ontwakend zichzelf en jou

benoemt, een naam

voorbij de tijd

’De tijd voorbij’ is één van de schoonste en meest diepgaande gedichten die ik onder ogen kreeg. Het is doordrongen van een onaards gebeuren waar we als levende schepsels medescheppers van zijn en dan weer toeschouwers. Tegelijk is het een lyrische zang die het hart en de geest optillen boven het alledaagse. Een lied dat zichzelf verder en hoger zingt om uit te monden in een beklijvende psalmodie. Hoe kan een mens zoiets pakkend en tegelijk zoiets hoog verhevens tevoorschijn toveren? Alleen wie een berg aangeboren talent bezit kan dat. Alleen als je je op het precieze moment niet verzet tegen je andere ik, dat medium is, en je opeist, om het even op welk uur, meestal van de nacht, wanneer je je ingewijde weet.

Het blijft niet bij die éne voltreffer. In het titelgedicht  Alsof er iets van me over bleef” maakt de dichter gebruik van rechtstreeks tot de lezer sprekende beelden, zoals er zijn: wind, zee, zand, een melkwit lichaam, e.a.. Op poëtische wijze brengt hij zijn gevoelens en gedachten over naar de geliefde. Tracht hij hun één-zijn te bevestigen:

Alsof er iets van me overbleef

Voor H.

vormde zich taal van overkant
uit water, zee, zelfs zand
waar raadsels heersten, hoe zeer
ik luisterde, die middag van het eerste leven
ogen en onzichtbaar ziel verraadden
de stormwind
tussen jouw melkwitte lichaam, dat geurde
naar zilt en zon en mij, nadat
je neergestreken was
op ons eeuwig aards altaar
engel
vleugels verbonden met tijd,
alsof er iets van mij overbleef.

 Wat mij nog het meest raakt in de verzen van Karel Wasch zijn de eenzaamheid en het verlangen, allebei kundig gesuggereerd, nooit uitmondend in een zielig klagen. De goede verstaander zal meteen begrijpen dat ze geworteld zitten in het besef te weten dat het grote onbereikbare niet te bereiken is, hoe hoog de ziel zich ook weet te verheffen. Daarom wordt geprobeerd de eenzaamheid en het verlangen een andere bestemming te geven, misschien zoals de Uruguyaanse dichter Carlos Sabat Ercasty zich in één van zijn verzen uitdrukte: “ik vertoonde mij aan andere muziek die niet / diegene is die ik stroom.”...

 De poëzie van de dichter Wasch stroomt. Ze is muziek. Hij wil zij het een mens of een dier bereiken waarmee hij kan communiceren. Zegt hij zelf: “De kinderen en de vogels/ zij weten, wie of wat ik ben/ - denk ik, hoop ik -.”. Eén kind heeft hij hiermee alvast weten te bereiken: het kind in mij.

Het slotgedicht is getiteld “Tegenlicht”. Opnieuw word ik bij het lezen van dit vers verplaatst in hogere sferen. De hoofdletters in Geest en Liefde had ik liever in kleine letters zien geschreven staan, zodat er vérder en dieper over nagedacht zou worden. Herleid tot hun simpelste en zuiverste vorm zouden ze even herkenbaar zijn, misschien zelfs beter en voller herkenbaar. Wijzend op een etherische voedingsbodem, tegelijk afstand doende van alle ouderwetse verwijzingen die niet meer van deze tijd zijn, zijn geest en liefde van alle tijden: 
 

 Tegenlicht

Termietenheuvels van de Geest
groeven we af, hermetisch voor de ziel
gesloten
en plukten hondsdraf
steeds blij erna,
toch verder afgegleden van
de oorsprong
het oordeel
ondeelbaar moment
de eeuwige vloedgolf van Liefde
die onze tere lichamen vulde
kalverhorens als was in onze handen
saamhorig in de zoete schijn.

Maar
waarom jij storm en steen
des aanstoots bent
is mij nooit echt goed uitgelegd
noch aangezegd
in deze stad van plexiglas, opdat
ik het begrijpen kon
of helpen
wat dan ook.

De rook waait sliertig buiten onze
woeste wil al om, gaat over
in een dichte mist, wordt uitgewist

het tegenlicht is tegenwicht
verbonden met een koperdraad
aan overdaad, waarvan de einder
schijnbaar vol en leeg en alles is.


 Het is niet voor niets dat de poëziekenner, al bij een eerste oogopslag, een ‘ingegeven’ gedicht van een ‘gemaakt’ gedicht duidelijk weet te onderscheiden, en ze elk afzonderlijk weet te interpreteren. Hier hoeft geen moment getwijfeld te worden aan het feit dat we het met een dichter toe doen hebben die we, door het hoge kwaliteitsgehalte van zijn verzen, tot de boeiendste en meest waarachtigste dichters van deze tijd mogen rekenen. Karel Wasch behoort tot de bijna uitgestorven en vaak uitgestoten minderheid van fijnzinnige dichters, van wie de verzen nooit genoeg naar waarde zullen geschat worden door de grote menigte, omdat hun poëzie veel hoger reikt dan tot waar gewone lezersogen kunnen reiken.

De dichtbundel ‘Alsof er iets van mij overbleef’ is een geschenk dat me op een goeie dag zomaar in handen viel, en waarvoor ik de hemel dankbaar ben. Er staan in totaal 15 gedichten in waarvan ik er niet één zou willen missen; zeker niet in mijn boekenkast, en vooral daar niet waar ik ze bewaard wil weten: diep binnenin mijn eigen poëtisch geaard zijn.

Iris Van de Casteele



 


Zoeken