Poëzie-Leestafel

...

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Jan Kleefstra


Recensie, geschreven door Karel Wasch, over de bundel


Een mistval om het rumoer

gedichten van

Jan Kleefstra




Dit is de derde bundel gedichten van Jan Kleefstra. Lucien Tinga tekende bij de verzen mooie plaatjes, sfeervol.
Deze gedichten zijn meer gecomprimeerd dan de fraaie gedichten uit de vorige tweebundelingen. De hoofdstukken zijn: Winterochtendnevel, De wind wakker, Een mistval om het rumoer, De stille berk en Waadlicht.


Wacht er al kou tussen winterlakens

de angst verstrikt te raken
in een mensenleven.


Een beeld dat we kennen, de angst, de onveiligheid, kilte tussen lakens, die juist warmte omhulling en bescherming zouden moeten schenken. Kleefstra voegt daar bijna geruisloos in een mensenleven aan toe. Dat tilt het beeld op tot herkenbaarheid. Raken we niet allemaal verstrikt in onze onmacht het onvermijdelijke te keren? En dat in drie zinnetjes. Hoeveel kan deze dichter zeggen?


En dan langzaam schrijden

alsof er nooit een einde
maar toch een verte wenkt

met een lage toon bijna gedragen
langs het tekenschrift van de dode berk


Dit gedicht is bijna een bezwering. Het woord schrijden is prachtig gekozen omdat het plechtstatig is en de tijd vertraagt. Het onvermijdelijke einde wordt zo nog even op de iets langere baan gezet. De lage toon doet denken aan een misthoorn, want mist speelt in deze bundel een leidende rol. Het is het beeld voor versluiering. De realiteit wordt omhuld, blijft gehuld in mystiek en raadselen en zelfs het rumoer moet daarvoor af en toe wijken. Het tekenschrift van de dode berk kent iedere natuurvorser van zijn wandelingen. Hebben we niet allemaal wel eens gedacht dat er tekeningen, boodschappen, verstopt zitten in de lijnen op de bast? Mooie, sterke beelden.


Het meest ontheemd van de zee
is de zwemmer die naar meeuwen kijkt
en de longen vol weerspiegelingen zuigt

al ik mij naar de wind toe keer
breekt het vlies dat vorst met
holle ogen over het water spon

een stil leven verdraagt vogelgeluiden
niet anders dan de schijn die
door de ramen gloort


Een langer gedicht, met als thema: De waarneming, waar we nooit zeker van kunnen zijn.. Als we naar de meeuwen kijken, zien we de zee niet, vangen we de wind dan missen we de vorst en
slechts een stil mens kan vogelgeluiden verstaan. Of zoals een oude spreuk luidt: 'Zij, die de stilte vrezen, hebben nooit hun hart gelezen.'

Continu omcirkelt Kleefstra de werkelijkheid, door haar met rust te laten en door ons op te roepen stil, verbaasd, de tekens in de natuur te lezen.


Een klein gerucht is snel verwaaid

ik waag mij niet
de winterhemel te verontrusten

wil ik op ieders wang kleur
van het bevroren noodlot zijn

kruipend zal ik geen wijsheid vinden


Wat een prachtige bundel! Mooi vormgegeven met natuurlijk weer de raaf op de voorkant, de bode van de goden.


ISBN 9789463381673 | Paperback | 60 pagina's | Uitgeverij Aspekt | maart 2017
Met illustraties van Lucien Tinga

© Karel Wasch, 1 juni 2017

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER



 


Recensie over de bundel


Raaf verwantschap

gedichten van

Jan Kleefstra


geschreven door Karel Wasch



De raaf, hoofdpersoon in deze bundel van Kleefstra,  is eigenlijk een solitair. Hij werd in de oudheid vooral met macht en mystiek geassocieerd. Odin in het heldenepos de Eddah droeg twee raven, op elke schouder een. Ze werden als boodschappers uitgestuurd, vooral om af te tasten wat het kwaad in de zin had. In Ierland wordt de raaf, een soort grote kraai, gezien als boodschapper van de Shees, de duistere kant van een onzichtbare wereld vol elfen, dwergen en andere mysterieuze figuren. Indrukwekkend deze vogel, in Nederland zelden aanwezig. Groot, indrukwekkend maar ook eenzaam. Zoals een groot dichter is.


Op de achterflap van deze bundel wordt al een tipje van de sluier opgelicht:


'Een verdergaande zoektocht naar de bijna stilte van de sobere, minimalistische muziek die hij zou willen maken, was hij daartoe in staat. In een van oudsher gecomponeerde wereld, is het nu vooral het landschap dat ooit met de raven sprak, maar in haar eigen binnenwereld terug gekropen is en alleen nog met zichzelf spreekt.'


Dat is stof, die tot nadenken stemt. Een landschap als lichaam, Moeder Aarde, zoals bij de indianen. Vooral bezield ook, door wezens zoals de raaf. Maar eenmaal bij zichzelf teruggekomen verstaat het de toon van zichzelf. Deze zoektocht naar binnenwereld versus buitenwereld is eigenlijk de zoektocht van iedere grote dichter. Nemen we bijvoorbeeld Rilke, Yeats of dichter bij huis Achterberg.


Kleefstra is dus gelukkig een hoogvlieger, dat konden we al in zijn eerste bundel Melk druppen ervaren. Niet lang daarna ligt er nu de opvolger met mooie sobere illustraties van Lucien Tinga.

Het duister verdwijnt met de raven

 

de zuivere kracht

waarmee het land

zich vol zuigt

 

de benauwende vrijheid

die als zwart meeldraad

mijn lot herschikt

 

die verwaait

die opwaarts zinderend

uit mijn lege handen klimt

 

als nevelen

naar de stille meren trekt

 

altijd in een sprookje eindigt

 

Een sleutelgedicht uit deze prachtige bundel. Het grote gebaar weer. De raven laten het duister verdwijnen juist omdat ze (zie boven) als geen ander wezen zijn ingevoerd in datzelfde gebied. Het land is in harmonie, maar de hoofdpersoon, raakt zijn zekerheid kwijt. Uit zijn lege handen is alle zekerheid verwaait. Let op het prachtige gebruik van dat woord. Iets waait weg en de dichter laat het verdwijnen, dus verwaait het. Aan dat soort taalgebruik is er een nijpend gebrek in de rijen van moderne dichters. En in de laatste strofe eindigt dat gebaar ook nog eens in een sprookje. We weten, sprookjes zijn grote wijsheden, maar we moeten ze ons eigen maken, voordat we ze doorgronden. In dat proces stapt Kleefstra en zo worden zijn verzen raadselachtig, maar nimmer gewild hermetisch.


De wind brengt fier regen over zee

haar bries breekbaar bijna warm

naast je neergestreken

 

ik kijk haar eerste sidderingen na

vang hier en daar vergeefs

een schaduwrijke hand

vol achterhaalde wijsjes

 

en de dag

maar pas begonnen


De wind als hoofdpersoon. Ondanks sterke stroom kan de regen over zee worden geblazen, maar dat valt niet mee. Eigenlijk is het een beeld voor 'tegen- de- stroom- in- roeien'. Razend knap hoe de natuur wordt gekozen als de strijd tegen iemands eigen onkunde, onzekerheid, twijfel enz. Zie het prachtige gebruik van schaduwrijke hand. Een hand als trooster en schaduw gevend aan degene, die hulp of troost zoekt. Maar tegelijkertijd een hand vol achterhaalde wijsjes. Als we niet oppassen verdrinken we ons in zelfmedelijden namelijk.


Hebben we niet allemaal wel eens zo'n ervaring dat de natuur een beeld is voor onze strijd in het dagelijkse bestaan? Hoe is het mogelijk dat iemand het aandurft zo'n ingewikkeld thema aan te roeren? Kleefstra betoont zich heer en meester op dit vlak. Hij slaat zijn vleugels uit en verlaat het aardse of rinkelt met zijn bellen. Want vergis je niet in vroeger tijden werden raven gevangen met lokaas en verlamd de lucht ingestuurd met een belletje om argelozen te waarschuwen.

 

Zomaar tussen delen van de dag

in de luwte langszij vliegen

 

lichte regen op de wangen

later het zicht vertalen

 

zang over onbewerkte verzen lekken

op het diepste wezen kauwen


De dichter droomt zich af! Hij bekijkt de dag vanachter regengordijnen en kijkt of hij het zicht kan vertalen. Wat een schitterend beeld voor inspiratie kunnen vinden.  De verzen, die er liggen moeten nog bewerkt worden en dieper gemaakt.


Deze bundel van Kleefstra is een hoogtepunt in het aanbod van gedichten van dit jaar. Dat was zijn vorige ook al. Eindelijk gedichten, die in eerste instantie een mysterie in zich zijn. Maar later hun lieflijke mooie toon prijsgeven. Wat een bundel en ja wat een dichter! Men leze!


ISBN
9789461537966 | paperback | 59 pagina's | Uitgeverij Aspekt  | september 2015

© Karel Wasch, 8 december 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER



 

 

Recensie over de bundel

Melk druppen

Jan Kleefstra

geschreven door Karel Wasch





Op de achterflap van deze bundel gedichten van Jan Kleefstra (1964) valt o.a. te lezen:

 

'Schrijven zoals Mark Rothko schildert.'(...)

Een gewaagde zin, waarvan de lezer zich zou kunnen afvragen of dit dan gaat lukken. Immers Rothko (1903-1970) is de schilder, die ervoor zorgt, dat de toeschouwer - in zijn geval de kijker - door het werk naar binnen wordt getrokken. In zijn eigen binnenwereld belandt. In Den Haag is nog tot 1 maart 2015, een tentoonstelling over het werk van Rothko en de meeste mensen nemen langdurig, vredig, bijna sereen, meditatief, plaats voor de doeken. Zou Jan Kleefstra ons in een dergelijke euforische staat kunnen brengen? Of is ieder goed gedicht sowieso een mysterie?

De bundel is in een aantal hoofdstukken opgedeeld: Wintervelden, Voortdraven, Winterzee en Voortschrijven.
In Wintervelden staan een paar korte aforismen, die het hoofdstukje inleiden. Bijvoorbeeld:

Ik had in de prachtige rust van een open veld
kunnen wachten tot de zon mij zou verblinden


Daar gaan we al, de buitenwereld van het veld tegenover de voorstelling van een verblindende zon, die er nog niet is. Eigenlijk de angst dat het
mooie ogenblik van verwondering, doorbroken zou kunnen worden, door een uiterlijke ervaring. En verderop in dit eerste gedeelte:

Waar anders komt de wind vandaan

die met de verleiding speelt

als de eerste gedachte misschien

of anders de belofte dat winter
zonder vorst ook wel zal overleven


Geen simpele poëzie, meer een vers dat raadselachtig de gedachte (opnieuw-) vermengt met de waarneming. Zal het gaan vriezen? Daar zou de argeloze lezer aan kunnen denken, maar de wind, die verleidt dat is ronduit raadselachtig. Kunnen we aan de wind proeven wat voor weer het zal worden? Kleefstra is een natuurmens, hij telt vogels en is vaak bij weer en ontij in de natuur te vinden, alleen liefst en dat betaalt zich uit. Maar we kunnen de zaak in dit vers ook vanuit de verleiding bezien. Geven we er aan toe of blijven we erbuiten?

Het volgende vers begint met de prachtige regels:

Een ochtend trager dan anders

over besneeuwde velden en
stof op de boeken (...)


De ochtend als een wezen dat zijn traagheid oplegt aan de besneeuwde velden. Maar dus - binnen - aan met stof bedekte boeken. De boeken, die we wilden lezen, maar die zijn blijven liggen en onze traagheid accentueren.

In het 5e gedicht uit Wintervelden wordt de angst neergezet en duikt de melk op uit de titel van de bundel.

Waar blijft je schaduw 's nachts

als je uit de lucht gevallen nederig
je stoel zet waar niemand durft te zitten

melk morst in een waanzinnig oog (...)

Melk als een beeld voor onschuld, het waanzinnig oog, het beeld voor angst. De hoofdpersoon zet zijn stoel neer, waar niemand durft te zitten. Prachtig, zoals dat laatste speels, terloops wordt gezegd. Kennen we dat gevoel niet allemaal? Ergens gaan zitten waar we ons 'unheimlich' voelen? Waarom doen we dat soms toch, als een soort bezwering? En dat is ook het knappe van Kleefstra's poëzie, hij laat de lezer vrij er iets mee te doen. Hij is zelf nauwelijks aanwezig in zijn prentenboek!

De verzen uit de kleine cyclus Voortdraven zijn het verslag van een mens, die wordt voortgejakkerd door de tijd, zijn onzekerheden, zijn gevoel etc.

Het blijft niet bij verlaten landerijen

achter de ogen redt het zich niet met honger alleen

ik zwijg een berk na
wikkel het hoofd in stormwind


Vier versregels waarin veel, erg veel wordt gezegd, de landerijen zijn verlaten, een herfsttafereel, door aan hongergevoel te denken kan de hoofdpersoon zich niet aan het barre weer onttrekken. Uiteindelijk geeft hij zich over, gaat voort letterlijk en wikkelt zijn hoofd in stormwind. Anders gezegd: Hij accepteert, de wind, de kou, en geniet er bijna van.

In Winterzee

Ooit was er de volmaakte natuur
in de geest die zich tegen
de mens heeft verzet

De magere handen die
zich verbeeldden het begin
van de trek te kunnen dragen


Weer de mens tegenover de natuur. De onderwerping van de natuur aan de mens, de ongerepte en dus volgens Kleefstra ongerepte natuur.
Maar in de tweede strofe evenzo een machteloze mens- let op de magere handen- die zoiets magisch, als de vogeltrek letterlijk niet in de hand heeft. We kunnen verkavelen, beteugelen, slopen maar zullen nooit de baas worden over diezelfde natuur.

We zijn aangekomen bij Voortschrijven en Kleefstra stelt de everlasting question, de vraag die we nooit kunnen beantwoorden:

Sinds wanneer schrijf je traagheid aan je sterven toe?

De tijd staat stil, we kunnen niet verder voortjagen, moeten we ons niet al in dit leven overgeven aan die rust, contemplatie. Ervan genieten? Erin berusten?

Helaas zijn we na deze trits prachtige verzen in deze cyclus aangekomen bij het eind van deze bundel. Zonde, want Kleefstra heeft veel te vertellen en slaagt erin een prachtige eigen stem te laten horen, spelend met taal. Jonglerend met woorden, diepzinnig ingehouden en virtuoos. Waarschijnlijk nu al de mooiste bundel van 2015!

Jan Kleefstra (1964) geboren in Akkrum maakt ook muziek met zijn broer Romke Kleefstra en heeft in het Fries gedicht.


ISBN: 9789461535924 paperback, 55 pagina's Uitgeverij Aspekt december 2014

© Karel Wasch, 19 januari 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER