Geplaatst: 01 sep 2008 05:47 am
Taalbloeme mooiheid. Weg met de cliché’s!
Laat ik eerst iedereen duidelijk maken dat ik slechts een relatieve beginneling ben in de moderne poëzie en daar zo onbevooroordeeld mogelijk tegenover wil staan, ofschoon op deze site een aantal ontboezemingen van mij zijn te vinden waaruit wel een vooroordeel spreekt. Dat vooroordeel wil ik achter me laten en we zien wel waar we uitkomen.
Piet Gerbrandy (1958) is een modern dichter met al onderscheidingen voor twee van zijn drie dichtbundels. Hij is tevens misschien wel de meest gezaghebbende poëzierecensent van Nederland en publiceert o.a. in de Volkskrant. O.a. op de site Rottend Staal Online zijn enkele van zijn gedichten te lezen. Mijn eerste indruk: originele, zelfgeschapen taal, nieuwe en ongebruikelijke woorden, weinig of geen aansprekend sentiment behalve voor de taal zelf, vaak hermetische, gesloten gedichten.
Maar ik wil het nu even hebben over zijn recensie van de dichtbundel van Pieter Boksma:
Het violette uur.
Gerbrandy schrijft o.a. in Cicero, de literaire bijlage van de VK van 29 Augustus 2008:
[i
Maar waar Puur, zijn vorige bundel, uitblonk in furieuze banvloeken over de deplorabele staat van onze samenleving richt Boksma zich nu veeleer op het alternatief. Het maakt dit boek minder spannend en op sommige momenten een beetje voorspelbaar:
In het scherprechtende kustlicht o zucht/
wijst de pijl van de vogels weer zuidwaarts (…)
Toch goed dat er herfst is
de zinnen ontlenen/
daaraan weer het einde waarmee zij beginnen.
De ironisering in “o zucht” is niet voldoende om dit herfsttafereel te redden. Er staan prachtige verzen van hartstocht en vertwijfeling tegenover, vooral waar Boksma de grammatica uitkleedt en zijn woorden verleidt tot een desperate last tango:
“Meestal dreigt drog in de halmen melief./
Wij hangen al jaren aan kustlicht en kater.”
De dichter blijft verslingerd aan “dwarsbloeme mooiheid”, ook ver van het stadsgewoel. Terecht.<i></i>[/i]
Tot zover Piet Gerbrandy.
Piet Gerbrandy is een classicus en is elke dag met taal bezig. Het is daarom meer voor de hand liggend dat hij al bij het lezen van een paar dichtregels aan ziet komen waar de dichter naar toe wil; maar dat geldt toch niet voor de meeste van zijn lezers die die achtergrond niet hebben. Ik tenminste had geen enkel idee waar de dichter in die eerste strofe naar toeging. Ik vind het gewoon een mooi en verrassend einde.
Uit de daarop volgende zeer positieve opmerkingen van Gerbandy kunnen we het volgende concluderen: hij houdt van absolute originaliteit, het meest ook van niet bestaande woorden,
denk ik. Het woord drog bestaat niet, daar moet je dus zelf iets van maken maar het volgt enigszins uit zijn contekst omdat het kennelijk dreigend is. Ook de tweede zin maakt dat niet duidelijk. Het gaat Boksma en Gerbrandy dus vooral om de originele combinatie van de woorden en de lezer moet trachten iets bij zich op te laten roepen.
Een duidelijk voorbeeld van absolute oorspronkelijkheid blijkt uit de combinatie “dwarsbloeme mooiheid”. 1. het woord dwarsbloem bestaat niet 2. het woord bloeme als bijvoegelijk naamwoord bestaat ook niet 3. mooiheid bestaat wel maar wordt zelden gebruikt maar het vervangen door schoonheid zou veel te clichématig zijn.
4. de betekenis van “dwarsbloeme mooiheid” is niet direct duidelijk.
Mijn eindconclusie is (voorlopig) dat het de dichters Boksma en Gerbrandy vooral om taalvondsten te doen is; naar betekenissen moeten we niet te veel zoeken.
Pieter
_________________
"Hoed u voor de literatuur. Gebruik de woorden die het eerst bij je opkomen" J.P. Sartre