Geplaatst: 25 jan 2007 01:20 pm
Juryrapport
Anneke Brassinga, ‘De goede afloop’ (IJsgang, De Bezige Bij, Amsterdam, 2006)
Anneke Brassinga citeert in haar gedichten graag en veel uit het literaire werelderfgoed. Daarmee geeft de dichteres niet uitsluitend haar grote belezenheid een plaats, zij verwijst ook naar de eerste, zeg maar de oerfunctie van alle poëzie: het maken van taal, en vervolgens: het manipuleren of scheefslaan daarvan.
Brassinga is in staat het geciteerde op een weergaloze manier de nek om te draaien, en dit vaak door middel van minimale ingrepen. 'Altijd november' wordt bij haar 'altijd stemgember'. En in Gilliams' regel: 'de teil met bloedmoer van geslachte hazen' verwisselt ze vlot en haast onmerkbaar de hazen voor kazen. Deze houding, dit omspringen met het materiaal, veroorzaakt bij de lezer een dubbel gevoel: van hilariteit, maar ook van melancholie: wij zijn veranderlijk en vergankelijk, en wat we te boek stellen is dat eveneens; al onze beweringen zijn om te smelten en elk van onze gedichten is weer voer voor een nieuwe generatie van begriploze roofdieren.
Maar ook zonder de citatentrommel werkt het verleden door in haar poëzie. In het winnende gedicht 'De goede afloop' zet zij de vaak gestelde vraag 'Wat doen we hier' twee maal kort na elkaar, wat het gedicht een zware en humorloze aanzet geeft; dat ze vervolgens tintelend aan de slag gaat 'als met de frisheid van limoenen' (het leven is een cocktail van vreselijkheden, grapjes en banaliteiten) mag dan weer het bewijs zijn van haar dubbele omgang met dit soort vragen: humoristisch en tegelijk melancholiek. Wat dat laatste betreft refereert ze, niet voor de enige keer in de bundel, overduidelijk naar haar grote voorganger, J.C.Bloem, met haar regel 'het verblindend prille komt niet weerom'. Wat doen we hier?
Anneke Brassinga struikelt met ons langs haar originele metaforen. En de optelsom van alle antwoorden is weer noodzakelijk: minder dan niks, – de limonadekraampjes blijken luchtspiegelingen, de zekerheden die de beschaving ons aanreikt zijn niet meer dan een ellendig eind prikkeldraad, waaraan we ons kwetsen – het enige wat echt is, is wat ons kwetst, lijkt ze wel te zeggen. En dan is daar, godzijdank, weer die humor. We vallen naar god (dat gaat lekker snel, instant, zonder mis of muziek die dat vervelend trage stijgen moet ophemelen) en god blijkt te wachten met schaaltjes en glaasjes en nootjes. De vergelijking 'blij als een moeder' ontroert en werkt tegelijk op de lachspieren. Het is misschien zelfs je ouwe moeder wel die op je wacht, verkleed als god. Het blijkt dan meteen een goede aanleiding te zijn om al je vermisten, al je dierbare doden, terug te zien. Een ontmoeting waarbij het, zoals in dit gedicht, lachen en huilen geblazen is.
www.gedichtendag.org/read/65/6836?submenu=5529
Dettie