Geplaatst: 25 aug 2005 12:01 pm
Beste Dettie,
Alles wat ik schrijf is slechts mijn hoogspersoonlijke mening.
Ik wil echt niemand beledigen,
maar ik mag hier mijn mening – indien tactvol geuit – zeggen, denk ik.
(Ik schrijf hier alles op tegen een achtergrondmotief van lachende smilies,
niet tegen een wand van “wandtegelwijsheden”)
Ik wil zeker niet provoceren : bewijs:
ik kan mijn opvattingen ruim stofferen.
(Try me. )
Eerst en vooral : aforismen zijn niet noodzakelijk “wandtegeltjeswijsheden”.
En ik kan je enkele indrukwekkende “bewijzen” voorleggen :
probeer maar eens La Rochefoucault, Nietzsche, of Paul Valéry uit.
Daartegen verbleekt een Duitse badkamer,
géén tegel is bestand tegen de oventemperatuur waarop vele van hun aforismen bedacht zijn.
Twee.
Veel “dichters” zetten gewoon een aforisme vertikaal,
maar goede verzen zijn nooit “woorden-onder-elkaar”.
Denk ik.
Ik denk dat het dikwijls onbewust gebeurt.
Ik verklap niet graag de keukengeheimen van een goochelaar.
Maar De Coninck vráágt er soms bijna om.
Hij heeft een vondst,
ern daarna construeert hij daar een lijf op.
Wat vlees, knoken, en gewrichten eromheen.
En bij De Coninck voel ik dikwijls eerder het skelet dan het vlees.
Het is bijna een stramien.
Bij het zieke dochtertje voel ik dat niet,
maar het is toch eerder een aforisme dan een gedicht, vind ik.
A) Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;

zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,
en het helpt niet:
C) zo helpt poëzie.
Zet A-B-C in de volgorde C-A-B.
en je hebt een zeer mooie paradox en een zeer mooi aforisme in elkaar verstrengeld.
Met het geniale beeld van de hand als dunne koelende sneeuw erbovenop.
Je hoeft amper een komma te veranderen.
Denk niet dat ik oneerbiedig ben tegenover 's dichters werk.
Maar het is altijd in het belang van de poëzie dat “technieken en andere handigheden” ontmaskerd worden.
Naar mijn mening moet elke dichter na een gedicht zich in alle eerlijkheid drie vragen stellen:
1) is het wáár ?
2) is het vrij en ver genoeg verzonnen ?
3) is het de boom waard ?
Ik denk dat De Coninck de tweede vraag heeft overgeslagen
misschien omdat hij voelde dat hij aan voorwaarde 1 en 3 ruimschoots (rijmschoots) voldeed ?
Gg
Jom
PS
Kijk, Tiba, ik ben 50 jaar,
en ik doe al heel mijn leven bijna niets anders dan met schrijven bezig zijn
- mijn vrouw noemt Terpsichore mijn maitresse.
Dan is het toch niet zo vreemd dat ik zeer vreemde, divergerende, uitgesproken opvattingen desomtrent heb ?
Laatst aangepast door Jom op 25 aug 2005 01:41 pm, in totaal 1 keer bewerkt