Wat zegt Lodewick - Literaire kunst over metrum en ritme (gebruiken jullie dat boek ook nog op school, Mariska?):
Onder een metrum (of maat) verstaan we de afwisseling van sterker en zwakker beklemtoonde lettergrepen. Dat kan volgens een vast patroon gebeuren, zo'n patroon noemen we een versvoet.
De belangrijkste voorbeelden van versvoeten zijn:
jambe (zwak/sterk), trocheus (sterk/zwak), anapest (zwak/zwak/sterk), dactylus (sterk/zwak/zwak), amfibrachys (zwak/sterk/zwak) en spondeus (sterk/sterk)(alleen als afwisseling met dactylus).
Daarnaast heeft elk gedicht een eigen ritme. Is het metrum een vast schema, een kwestie van uiterlijk vaak, waaraan een vers al dan niet kan voldoen, het ritme behoort tot het innerlijk, het wezen van de dichtkunst.
Lodewick: Metrum wordt bepaald door de afwisseling tussen sterk en zwak (dynamisch accent). Maar bij ritme spelen daarnaast nog een rol: afwisseling vlug-langzaam (temporeel accent) en afwisseling hoog-laag (melodisch accent).
Ritme is nu de natuurlijke beweging van de zin, expressief gemaakt door de wisselende intensiteit van het temporeel, het dynamisch en het melodisch accent.
Het belangrijkste verschil tussen ritme en metrum is wel: metrum is niet noodzakelijk in de poëzie, in sommige perioden van de literatuur treedt het niet op, maar ritme is noodzakelijk, het behoort tot het wezen van de poëzie.
Wanneer je gedichten hardop leest, merk je al snel of het gedicht "loopt", vrolijk klinkt, of juist of somber, slepend. Je komt haast vanzelf in dat ritme terecht. (Nog beter hoor je het, als de dichter het zelf voorleest). Daar kan het metrum een rol bij spelen, maar zoals je hopelijk begrepen hebt, kan het nooit de doorslag geven. Een ingewikkeld verhaal, niet?
Wat zegt dat over jouw gedicht?
Hoe we dit soort vers moeten noemen, weet ik niet. Mij lijkt het, ondanks eindrijm hier en daar, wel een vrij vers, maar misschien weet mira dat dan weer. Gezien het onderwerp en het ritme denk ik ook aan light-verse (Light verse is een benaming voor die gedichten die een wat lichtere, meer speelse toon hebben. Drs. P ontwierp er de Nederlandse term plezierdichten voor.). Maar de meestal hebben die een strakkere vorm (sonnet, kwatrijn, etc.).
Wel valt me op dat het gedicht bestaat uit 4 afgeronde stukjes van elk twee strofen die weer bestaan uit een wisselend aantal regels. Hier bestaat voor zover ik weet geen naam voor. Er is sprake van eindrijm bij de twee delen van elke strofe. Inhoudelijk vormen deze strofen ook een geheel.
Het metrum is een strak volgehouden jambe (zwak/sterk). Dat geeft het ook iets van een light-verse. Andere dichters die die gemaakt hebben zijn bv.: Kees stip en Ivo de Wijs.
Even genoeg zo, eerst maar eens de reactie van jou en de anderen.
Librije.
Hetzelfde zien
Maar het zò zien
Zoals niemand het zag
(J.A. Deelder - Euforismen
Bezige Bij, 1991)