Enkele dagen geleden ontving ik weer enkele gedichten van Rim Sartori
Geëtst
Door fluwelen wanden kan ik je begluren
wanneer jij in je atelier creëert. 'k Ruik
de geur van vernis en verven als weleer.
Soms moet ik stilzitten op de oude canapé
en portretteer je mij. Ik lach gedwee
al is het voor even.
Dan kom je als Grote Toverheer voorbij en schater ik.
Je vergrijnsde gezicht verschijnt voor het raam.
Ik sta erachter. De wind bijt fel in je gelaat.
Ik deins terug, al is het voor even.
Samen roeren we in een grote pan. De mosselman ben jij.
Een foto voor een schutting. Ik leun tegen
je knie. We zijn heel vrolijk op vergeeld zwart-wit.
Ik zie je zitten op het dijkje van de Nieuwe Meer. Rimpelloos
is je gelaat. We zwemmen samen, ik hou me stevig vast
aan vertrouwde armen maar duw me plotseling los.
Kijk pap, ik zwem! Kopje onder. Je schrikt enorm.
Twee keer zag ik je terug en raakte je bijna aan
ik glimlach wanneer je voorbijkomt als Grote Toverheer.
Rim Sartori / 2008
Mijn moeder is een roodborstje
zij wipt dikwijls even langs.
Op de borrelsteen pikt zij
wat in het groene mos. Ik
bespied haar vanachter
het gordijn en let op wie
haar kan bespringen.
Zij weet dat ik over haar waak.
Nu vliegt zij naar de bloempot.
Haar etensplek. De meesjes
kregen een andere plaats.
Eksters die snerpend kwetteren
klap ik met mijn handen weg.
Zij blijft rustig zitten.
Zij weet dat ik over haar waak.
Nog even, dan vliegt zij
naar mijn dochter in de grote stad.
Op haar balkon hipt het roodborstje
vrolijk rond en nipt van het voer.
Als dank fluit zij een lied.
“Mam, ze zingt als een nachtegaal, het
is (net) oma, die vroeger voor ons zong.
Als jij de rozenstruiken knipt rond
haar graf en ik bloemen neerleg op haar
steen is zij er ook altijd.
Je weet toch mam, dat zij over ons waakt.”
Rim Sartori 22 februari 2009
Zachtjes glijden haar handen
door haar haar.
Haar volslanke lange
vingers met gepolijste
nagels, zijn haar sieraad
dat weet zij
Haar ogen glijden schuins
naar de klikkende fotografen
om haar heen.
Lachend, brutaal, kijkt zij
de camera’s in.
Jong _ dynamisch
bruisend _ onbevangen.
Zij wuift naar hen
en houdt de beelden
in haar handen vast.
Haar handen trillen _
Zachtjes verglijden
haar gedachten over
de vergeelde beelden
uit haar fotoboek.
Zij wrijft over haar
pijnlijke vingers.
Haar huid eens
zo glad als de schaal
van een ei, verrimpelt.
Het wintert in haar haar
Met natte vingers
trommelt de wind
tegen de ramen
Met haar oude fotoboek
maakt zij haar dagen vol.
Rim Sartori mei’06
HOOIMAAND
O, JULI ik vind je zo mooi
we zeilen de hooimaand in.
De zeis scherpen met de strekel
bijen zoemen, geur van zweet
wolken stof. Het hooi keren
telkens weer. Lucht vol lust en beloften.
Hooi op de vork, baal op het hoofd
de hooikar moet vol, voortgetrokken door
paarden die bolderen over het weideland.
De meid en de knecht rollenbollen
achter de vaalgele vierkanten
de wind fluit een melodie
voor wie het horen wil.
O, JULI ik vind je zo mooi
Het gras door de zeis geraakt
ligt als gemaaide stengels in de zon
tot eigeel te verbleken, de damp moet
eruit om in oppers te zetten.
De zwaluwen vliegen laag.
Met strohoed, pet en hoofddoek op
beschutting tegen hitte in het veld.
Hooi op de vork, baal op het hoofd
de hooikar moet vol en de lege
schuur gevuld tot aan de nok
Veevoer voor wintertijd.
O, JULI ik vind je zo mooi
Rim Sartori ( Juli/Hooimaand)