
Recensie, geschreven door Karel Wasch, over de bundel
Ruisen van berken
Jan Kleefstra
gedichten
Dichter Jan Kleefstra slaagt er telkens in zijn gedichten te vullen en te complementeren met beelden uit de natuur.
Een soort Ko de Boswachter uit de Vaderlandse literatuur.
Fluister maar niet
in al dit gedruis ga je toch verloren
zo nu en dan een klein woord ertussendoor
wind heeft tijdenlang nodig de op hoge
stelten vertrokken verzen neer te halen
hier en daar als zaad neergestrooid
halen ze de oneindigheid niet
maar als je hier zo graag wilt leven
heb nog een beetje geduld
Is dat de natuur, die fluistert? Gedruis overstemt de stem dan weer en juist die stem maakt ons zo rustig en stil. In een prachtige scene uit de film Blow Up (1966) van Antonioni loopt de hoofdpersoon door een park, alleen het ruisen van de wind in de bladeren begeleidt hem. En dat stemt ons rustig, terwijl zich verderop een heus mysterieus drama gat voltrekken. Aan het einde van het gedicht vraagt de dichter om geduld en dat zullen we moeten hebben wanneer we de natuur echt willen volgen en haar respecteren kunnen.
Opvallend is de dood
in de rij van schoonheden
want ervaring schuwt niemand
en een berk alleen laat zich
zonder pijn niet vellen
we kunnen vreugde leren van de gierzwaluw
maar de schreeuw
los van welke wet dan ook
van de groep gescheiden
een waas voor ogen
Mooie openingszin. De dood neemt een aparte plaats in, als manifestatie van iets dat voorbij moet gaan ook het vellen van een boom. Natuurlijk een berk, zoals de titel.
De vreugde van de gierzwaluw, die ongelofelijk snel vliegt, wenkt en daalt is iets anders dan voor welk dier of welk mens dan ook het gescheiden zijn van een groep. Een solitaire tijger gaat moorden, een jarenlang gepeste mens gaat ook verkeerd gedrag vertonen. Een waas voor ogen uit verblinding en eenzaamheid.
Het dorp onder wolken meeuwen
het heeft de mens niet gered
waar verzoen ik dit alles mee
anders dan nog maar eens terug te keren
in het besef dat ik veel vergeten ben
uit liefde meer dan uit medelijden
tijdverdrijf vind ik onder hen
die in boeken van hand tot hand gaan
die zich onafgebroken in zichzelf
de armoede van een late bloei wijsmaken
Een wolk meeuwen lijkt soms een teken op redding, maar daar haalt Kleefstra een streep door. Hij probeert zich te verzoenen met zijn lot is vergeten hoe het kwam. Maar liever dat nog, dan boeken lezen en nooit verder komen.En de armoede van late bloei accepteren. Daar is de natuur weer met het laatste woord.
Een sterke bundel met fraaie, soms mysterieuze beelden. We kijken met spanning uit naar zijn volgende gelaagde bundeling verzen.
ISBN 978946487439| Softcover | 77 pagina’s | Uitgeverij Aspekt | augustus 2026
© Karel Wasch, september 2026.
Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

Recensie, geschreven door Karel Wasch, over de bundel
Winterflarden
gedichten
Jan Kleefstra
Het is alweer de zesde bundel gedichten van Kleefstra. Je houdt het niet voor mogelijk, dat zo’n begaafde dichter nog niet bekend is.
Omdat de natuur een grote rol speelt in de verzen van Kleefstra weet hij in deze bundel de winter centraal te zetten, maar dan wat resten van die winter achterlaten in het land maar ook in de geest van de immer observerende dichter. De bundel is fraai geïllustreerd door Christiaan Kuitwaard.
Ik wikkel touwtjes
om mijn houten winterlijf
breek wat vingers als ik honger krijg
nooit geler ogen vingen vrees mooier
in het afgebeten mes op de bank
telkens een wond ergens anders
het gif lang onderweg
op mijn zij één oog
dat naar de hemel staart
in mijn hand een hand
die groter wordt
De dichter is stijf uit de winter gekomen, door de kou natuurlijk, De vingers zijn er nog stijf van. Het mes weerspiegelt de angst van de hoofdpersoon, dat gevoel we weten niet waar we aan toe zijn. Als de dichter op zijn zij ligt neemt hij alles met één oog waar. De hand, die groter wordt rust al in de andere om zichzelf vast te houden om de onzekerheid te bestrijden. Een vers dat zich pas ontsluit als je het vaker leest.
De bundel is verdeeld in hoofdstukken: Parelzang, De Nabootsing, Ochtendragen, Laatbloeiers en Beschouwingen.
Onweer zuivert geen luchten
een gebed geen keel vol muggen
vanwege de eenvoud
bloeit mijn hart trager
misschien dat mijn geduld
het gelaat vindt dat daarbij hoort
ik heb een winterberk mijn hand gegeven
in haar zoom mijn bijeen geraapte moed gelegd
zo stil kan een leven zijn
Het onweer kan dreigend zijn maar de lucht wordt er niet altijd door gezuiverd, net zoals een keel niet gezuiverd wordt door een gebed. Harde waarnemingen maar al te waar.
Prachtig de strofe met: misschien dat mijn geduld het gelaat vindt dat daarbij hoort.
Dat kennen we wel het innerlijk verraadt zich in het uiterlijk, maar soms verbergen we het. Bijna de gehele bundel gaat over de frictie tussen binnen- en buitenwereld. Gevoel en waarneming. De boom geeft moed aan de dichter, door haar stilte en rust en kracht.
Zingend riet
hecht zich als rijp aan
de klanken die we verloren zijn
de schroom
de alles verzengende geur
zolang we naar Engelse wolken staren
de omvang
waaraan ik licht heb getwijfeld
de lijnen om het land bijeen te houden
ik wil een kiekendief zien vliegen
daarbij de vrees wegdenken
Wie riet heeft horen zingen in de wind, weet dat de vergelijking met rijp, dat zich aan de klanken zou hechten volkomen juist is.
De Engelse wolken zijn dreigender dan de fraaie Nederlandse luchten.
Als mens voel je je klein op sommige plekken op sommige momenten in de natuur De kiekendief, een roofvogel, geeft de dichter wellicht weer kracht, verdrijft zijn angsten. Ze vervliegen letterlijk met het gaan van de vogel.
De zesde bundel van Kleefstra is er gelukkig. Het is niet de meest toegankelijke bundel van deze begaafde dichter. Een bundel voor op de nachtkastjes of om mee te nemen naar die natuurplekken die na de winter weer ontwaken. Lees en ontwaak!
ISBN9789464871401| Softcover| 79 pagina’s | Uitgeverij Aspekt| februari 2024
© Karel Wasch, maart 2024.
Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

Recensie, geschreven door Karel Wasch, over de bundel
Laat het bos maar uithuilen
gedichten
Jan Kleefstra
Naast een begenadigd dichter is Jan Kleefstra ook een natuurvorser in de meest letterlijke betekenis van het woord. Zijn wandelingen in het Friese, kwetsbare en gekwelde, landschap leverden al een aantal fraaie bundels gedichten op bij uitgeverij Aspekt. Nu is er een bundel bij uitgeverij Wijdemeer met als basis de wandelingen van Kleefstra in Zuid-Frankrijk. Hij wandelde door het gebied Causses et Cevennes. Achterin de bundel zijn een paar fraaie foto’s opgenomen van het gebied.
Verder in de bundel illustraties van Lucien Tinga. Het siert Kleefstra dat hij deze gedichten uitgeeft bij een andere uitgever, ze vinden hun oorsprong in een heel ander gebied dan het Friese.
Hiervoor verscheen het verslag Veldwerk bij uitgeverij Wijdemeer. Een groot boek met teksten van o.a. Kleefstra en illustraties van Christiaan Kuitwaard. We beperken ons tot Laat het bos maar uithuilen.
Ineen gedoken diep uit de keel ratelende zang
stel je hoog boven de wereld
een plek zonder wind voor
angst heerst er alleen in het winterkleed van
het open veld waar de zang geen weerklank vindt
stel je de sneeuwbarre tocht naar beneden voor
alleen de levenden zetten de tocht voort
en mocht je nog niet wakker zijn
blijf dan bij mij
Een typisch Kleefstravers. Teder omcirkelt hij zijn eigen fantasieën. Of zijn het imaginaties? De natuur moet er zijn, mag er even in zijn gedachten niet zijn. Dan
slaat angst toe over zijn afwezigheid en bekruipt de nietigheid de hoofdpersoon. Die zich dan weer troost door iemand aan te roepen om bij hem te blijven
of is het de natuur zelf, die moet blijven? Weergaloos!
Wat als de vlucht
telkens met ongeduld
struikelend langs de hemel
eenvoudiger verstrijkt dan de vreugde
altijd dat verstoorde evenwicht
dat zich uit de voren wringt
en naar plevieren zoekt
alsof flarden wolken
niet uiteen te wiegen zijn
In het bovenstaande gedicht is het alweer raak. Lees de eerste strofe aandachtig en je zult versteld staan van de diepgang ervan. Een strijd tussen vlucht, ongeduld aan de ene kant en vreugde aan de andere. Het ongeduld en de vernieling tegenover het herstellen van de harmonie in een enkele strofe neergezet. Kleefstra vecht voor de natuur, het is bekend in woord en daad. Maar hier schetst hij de problemen vanuit een hoge blik, helicopterview. Is er nog hoop? De flarden wolken kunnen alleen gewiegd worden. Let op dat tere woord. Je wiegt een baby, maar een wolk? Wie weet.
Op windstille dagen brengen leeuweriken me niet aan het huilen
ook niet met de droeve bekentenis dat de zon
alleen nog in dichtgeknepen ogen opkomt
hoe lang dragen vleugels net als toen
het lichaam dwars door fijnmazige regen
zware soms schelle tonen over de wereld slepend
als jongen zocht ik onder zelfde hemelen
uitgehongerd naar een weidevogel
wierp verder dan ooit
een zachtaardig licht
voor de regen uit
Een nostalgisch vers over het verloren gaan van onbevangenheid. De jeugd kent ontroering, onbevangen. Maar daarna is die moeilijker te vinden, want we zijn te veel in ons zelf ondergedompeld. Maar de jeugd van de dichter wierp wel een licht vooruit hoe de wereld zou zijn wanneer hij was opgegroeid.
De prachtige verzen in deze bundel zijn stuk voor stuk monumenten. Om een natuur te behouden, die elke keer weer wordt bedreigd. En Kleefstra weet zichzelf centraal te posteren in die open strijd. De nietige mens als vernieler, maar hopelijk ook als beschermer of hersteller. Hoe is het mogelijk dat Kleefstra, niet al lang grote prijzen won voor zijn werk. Of komt dat nog? Wanneer de jury’s eindelijk wakker worden. Men leze!
ISBN 9789492052780| Hardcover| 95 blz.| Uitgeverij Wijdemeer | augustus 2021
© Karel Wasch september 2021
Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

Recensie, geschreven door Karel Wasch, over de bundel
Verlegen land
gedichten
Jan Kleefstra
Dit is alweer de vijfde bundel van Jan Kleefstra bij uitgeverij Aspekt. In tegenstelling tot zijn vorige bundels is er niet een vast thema. Wel zijn er steeds herkenningspunten en veel metaforen tussen de natuur en de mens. De natuur is bezield en de mens steeds minder, lijkt het wel in deze bundel. Ook is de bundel soms wat somber (of is het serieus) van toon?
Het zijn de gunstelingen maar
die in het afgietsel van de vergeving
menen dat de nacht niet bestaat
dat vloed vanzelf het achtergebleven gerucht
uit de monden van de wakkeren spoelt
ik kruip steeds dichter naar de weg
zal mezelf in de slootkant verstoppen
een steen op de buik leggen
Een mooi vers. De gunstelingen hebben door hun opstelling en hun onterecht optimisme de realiteit uit het oog verloren. En de wakkeren, de groep van critici en mensen, die zijn blijven nadenken over de rampspoed die zich over de aarde verspreid, worden niet serieus genomen. De dichter kan het nauwelijks nog aan en: kruipt steeds dichter naar de weg. Wil hij ontsnappen? Wil hij zich verstoppen, van de boze wereld afkeren? Of verdwijnen, door een steen op zijn buik te leggen. De wereld weegt te zwaar.
Ergens eindigt de sneeuw
en begint de zee
nooit vanzelfsprekend
met ruwe streken besmeurd
misschien wel is de wind haar toegewijde bedelaar
die op de rand van afgoderij een zware balk
naar de liefde zeult
of wilde dromen temt
en strandt op een fluistering
het wachten is op de zon
waar nog ietwat sneeuw dwarrelt
vanwaar de zee begint
Geheimzinnig hoe het gedicht begint, de sneeuw is weg als de zee begint, in de vloedlijn dus. We kunnen dat scheidsvlak maar moeilijk traceren. En dan komt het in de derde strofe, dat is de schuld van een bedelaar, de wind namelijk. Het is een hij en hij zeult een zware balk naar de liefde. Is hij wel zo zuiver? In de volgende strofe temt hij wilde dromen, maar strandt hij op een fluistering. De zon laat de laatste sneeuw smelten en we zien gewoon weer de zee in al haar pracht. Mysterieus, dit vers. Bij de toegewijde bedelaar dacht ik ook aan Christus.
Dat riet hoger bloeit dan gras
de vink eenvoudiger leeft dan de leeuwerik
ik heb met argwaan
een struik uit elkaar geklauwd
de voorzichtige inkepingen afgewacht
om het leed op te lossen
uit het water
een paar blauwe lippen gestolen
De natuur doorgronden. Riet wordt hoger dan gras. Waarom? En als ornitholoog weet Kleefstra - als geen ander - dat de vink eenvoudiger leeft dan de leeuwerik. Maar hij begaat een fout, wil in een struik kijken. En bezeert zich daarbij. De blauwe, verkoelende lippen van het water schenken de gewonde verkoeling. Trefzeker.
En ook al is deze bundel gevuld met gestroomlijnde poëzie. Ze zijn nergens hermetisch, de mooie verzen. Waarom heeft Kleefstra niet al lang alle literaire prijzen in Nederland in de wacht gesleept? Dat zegt veel over Nederland. Wat een fraaie bundel.
ISBN 9789463389273 | Zachtcover |72 blz. | Uitgeverij Aspekt | augustus 2020
© Karel Wasch, augustus 2020
Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

Recensie, geschreven door Karel Wasch, over de bundel
Windtoon
gedichten
Jan Kleefstra
Jan Kleefstra (1964) heeft een vierde bundel gedichten uitgegeven bij Aspekt. De thema’s van deze (soms korte) verzen zijn zeer divers: Het traag aanzwellen van de wind, de aanloop van de ochtend, die weet dat ze zich over zal geven, de slaaptrek van duizenden ganzen, een versleten muziekstuk, twee keuvelende raven of de bloei op een plek waar niemand komt.
Als het water grijnst
durft niemand met een boot naar zee
Zo’n typische geestelijke observatie van Kleefstra. Het water dat grijnst. We kennen het fenomeen allemaal, maar hebben Kleefstra nodig om ons bij te lichten. Het water kan vriendelijk kabbelen, woest stormen en nog veel meer. De jonge Goethe (1949-1832) beschreef in zijn tocht langs een rivier, wanneer je die rivier aanvoelt. Je zou dan alle geluiden van die rivier moeten kunnen duiden: het murmelen, klotsen, roeren, gorgelen etc. Jan Kleefstra kent als geen ander de fenomenen in de natuur. Is hier een nieuwe Goethe opgestaan?
Een kraai zal nooit maden uit een vredig lijk plukken
evenals zon nooit vanonder wolken
een dromerige dans zal verraden
Een kraai en de zon. Zouden zij voorzichtig omspringen met de wereld? Het is een prachtige gedachte. Kleefstra maakt die gedachte niet alleen waarschijnlijk, maar ook beleefbaar. ‘Niet over een engel praten alsof het stel is, maar over een stoel praten alsof het een engel zou kunnen zijn.’ De uitspraak van een Oostenrijkse wijsgeer.
Soms wiegt wind op een dichtbij vergeven stem
of luistert ze vroeg naar dauw
in de spinnentakken van de winterberk
of schommelt zwaarhoofdig
boven met regen vol gedronken
vouwen in de zwanenvlerken
rank zijn is dodelijk
kortstondigheid vertedert
Een iets langer vers, maar weer die begeestering van de wind, een wezen dus. Let op: luistert ze vroeg naar dauw. Dauw heeft al iets vredigs, iets stils en de wind weet dat en luistert daarnaar. Zoals je naar een schilderij kunt luisteren. Wat zegt het tegen jou? Vouwen in zwanenvlerken? Doet dat niet aan Leda en de zwaan denken? Ooit prachtig geschilderd door Da Vinci? Geen sex, maar liefde, streling, zachtheid dons. Rank zijn is dodelijk. Deze zin deed me denken aan: Alles van waarde is weerloos. En dat kortstondigheid vertedert is natuurlijk waar. Een wonderbaarlijk moment is zo voorbij, maar moet je het vastleggen? In de vluchtigheid zit juist de kracht.
Weer een bundel van grote pracht en zeggingskracht. De tekeningen van Christiaan Kuitwaard completeren dit fraaie werkje. En wie gelegenheid heeft Kleefstra ergens te zien optreden, mag dat niet missen! Heel bijzonder ook.
ISBN:9789463385626 | Soft cover | Uitgeverij Aspekt| februari 2019
© Karel Wasch, 28 februari 2019
Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER