Geplaatst: 30 jun 2007 02:40 pm
Ik zal nog eens een paar gedichten van Hilde op dit hokje zetten zie..
Patrimonium
Vanuit mijn lome zondagochtend
zie ik hoe een merel hardnekkig trekt
tot de worm zich verorberd geeft.
Honderden keren moet de merel
voorbij mijn vaders ogen zijn gehipt
als hij zijn spade in de grond stak,
zijn schouders gebogen,
zijn monkelmond smaller
dan de voorbije jaren.
Nu ik hem ken,
een oudste dochter ben,
zwijgt hij een woord tevoorschijn
dat met snoeien samenhangt,
met dahlia's niet in vazen zetten
maar ze een seizoen lang
laten duren in de aarde,
hun vorm in knol bewaren.
Op goedgeluk verwekt,
denk ik, en zie hoe de merel
geduldig en bedachtzaam trekt.
Hilde Keteleer
uit 'Al wat winter is en waar'
Wereldbibliotheek 2001
Saint-Mélany
Stenen. Hier ligt zoveel steen
het eind van steenzijn af te wachten.
Tillen wij ze een voor een,
seconden in slaaploze nachten.
Redenen om te bestaan,
de rimpelingen in het water:
denken we van voor af aan
dan is het duizend eeuwen later.
Er zou een zandman moeten komen,
of een eeuwig schone slaapster,
de vrouw van Lot als stenenraapster.
Alleen in onze oude dromen
zal tijd genoeg gedaante krijgen
en zwijgen zachtjes overstijgen
Hilde Keteleer.
uit' Al wat winter is en waar'
Wereldbibliotheek. 2001
Deze bundel van Hilde Keteleer (°1955) is haar debuut.
Ze publiceerde eerder gedichten in 'De Gids'. Vertaalt uit het Duits en het Frans. Werkt mee aan verschillende literaire rubrieken in kranten en tijdschriften.
Leni