Den Munsterschen trommelslag op den Hollandschen toon
Den Hollandtschen Viskop
Wilt tegen den Bisschop
Schuymbecken en rasen,
En tieren en blasen,
En knorren, en morren,
En kijven, en snorren,
En kauten, en praten,
Dat hy met Soldaten
Te voet en te peerde.
Te vyer en te sweerde,
De Geusen wilt dwingen,
Om reek'ningh te bringen,
Om dat se voor desen
In 't landt zijn gewesen,
En Kerken, en Dorpen
Te grond' afgeworpen,
Gehagelt, gedondert,
Geftolen, geplondert,
Met moorden en stroopen
Het Landt afgeloopen;
Met voeten, en handen
Van Boeren te branden;
De Cloosters geschonden
Als woedende honden?
En Kelck, en Cibooren
In d'asschen doen smooren
Als grimmende Urcken (1).
Dat noyt noch een Turcken
In Christene Landen
En deden die schanden:
De Hemelsche Spijse,
Op Kettersche Wijse
Getreden met voeten,
Ghy sult dat nu boeten!
Ghy sull'et ontgellen
Ghy boose Gesellen!
Dat stinckende Vissop
Seght tegen den Bischop:
Gaet leest u Getijen.
Gaet Vormen, en wijen.
Verkeert uwen Deggen
In Cruycen, en Vleggen.
Maer wacht u, maer wacht u!
Hy is op de jacht nu,
Hy sal u wel krijgen,
En stille doen swijgen:
U seer vremde treken
Sal hy nu wel wreken.
Hy sal u wel leeren
U leven verkeeren!
Dat spijt uwe neusen
Ghy duyvelsche Geusen,
Ghy pestige Ketters ,
Ghy Beelden verpletters
Ghy Branders, ghy Stoockers,
Ghy Nickers , Ghy Roockers
Ghy Roovers, ghy Branders,
Ghy boose Aenranders,
Ghy grijpende Poeffers,
Ghy stinckende Stoeffers
Gly dwalende Gecken,
Ghy gierige Vrecken,
Ghy bloedige Tijgers,
Ghy Waerheyt-verswijgers,
Ghy Sacken vol leugens.
Ghy valsche Geteugens
Ghy boose Rebellen,
Ghy Sathans Gesellen,
Ghy boosheydt Betrachters,
Ghy Princen Verachters,
Ghy valsche Rabauwen
Gby grijpende Clauwen,
Ghy onheyl-Beramers,
Ghy rechte Belhamers,
Ghy Roepers ghy Tierders
Ghy Kercken Schoffierders,
Ghy Roovers, ghy Capers,
Ghy Priesters-betrapers,
Ghy Geessel der Landen
Vol-on-eer, en schanden,
Ghy Fielen, ghy Schelmen
Nu moet ghy bedwelmen.
Men sal dat niet lijden,
Men sal u kastijden,
Al roept ghy genade,
Ghy komt nu te spade:
U klagen en, en kermen
Verdient geen ontfermen,
Ghy sull'et betalen
Dat: sonder te faelen;
U moorden, u hangen,
U pramen, u prangen,
U worgen,u kelen,
U rooven u steelen,
U slaen en u moorden,
U binden met koorden,
U ketens, en boeyen,
Dat sal u vermoeyen,
U picken, u stroopen,
Seer dier sult bekoopen.
Men sal u wel hebben,
En krijgen in't webben,
Wy houden goey teeckeningh,
Sa doet ons eens reeck'ningh,
Brenght over u boecken
Men salse doorsoecken,
Wy sullen't wel maken,
Naer uyt-wijs der saken:
Of doet u verschooningh
Aen uwen Heer Coningh.
Roept: Lacen, och armen,
Wilt onser ontfermen.
UYT.
(1)Urck : voor het eerst vermeld in een oorkonde van keizer Otto I - gesitueerd waar zich nu Flevoland bevindt. Scheldnaam voor Friezen ?
Lezer100