Geplaatst: 28 okt 2007 03:04 pm
Vaak liep ik op het kerkhof, dik, alleen,
te vliegeren: daar stond de meeste wind.
Als het touw zakte, sprong ik van een steen.
Ik ging ook dood, al was ik nog een kind,
de tuinman zei: 'Eens word je meegenomen.'
Een goede vlieger had ik, zelfgebouwd,
een Draak; geen Rover die erbij kon komen.
gemalen glas schitterde rond het touw.
Ik had een kistje (Schimmelpenninck, Flor
Fina, Assortiment), daarin bewaarde ik
wat mij angst aanjoeg: hagedissenstaarten,
een slangevel, het skelet van een boktor.
Als ik ernaar keek trok een optocht voorbij,
het ging alles één kant uit, je kon het niet keren
of tegenhouden. - Ook ik bevond mij
in doodsgevaar; steeds groeide ik uit mijn kleren.
Eva Gerlach
Uit: Verder geen leed (1979)
Arbeiderspers-Amsterdam
Lievelingsdieren
Tussen de stenen hollen de platte,
brede pissebedden omlaag naar het donker. Vergeten
toen het nog koud was te kijken: hoe overwintert
een dier dat zo lijkt op herinnering,
zo afvalkleurig, met zijn hoofd naar binnen
en doodstil bij de minste aanraking.
Ik weet een kind dat van ze houdt, het streelt
hun dadelijk verstijvende stofjassen,
draagt ze tussen twee handen de kamer door.
O! zachte pootjes hebben ze, mag ik ze niet
houden in een kistje met onderaan glas?
Daar kijk ik de hele tijd naar, daar zing ik dan voor.
Eva Gerlach
Uit: De kracht van verlamming
De Arbeiderspers, Amsterdam 1988
Kijk, R. in pyama, haar hand
die de kat heeft geaaid in verband,
zwachtel om haar enkel want gesprongen
van de bank, ik kan vliegen, haar tong
gewond van toen zij al etend een kerstlied
zong.
Hoe zij gaat staan en op haar kwartviooltje
speelt
Roodborstje tikt tegen venster tin tin, haar
haar
over haar witte scheiding door elkaar -
hoe daar als Russische popjes allerlei soorten
hachje in opgeborgen liggen, tot haar
geboorte.
Eva Gerlach
uit ' Wat zoekraakt.
Arbeiderspers-Amsterdam 1994
leni