De krant
Het sneeuwt. Op het plein worden de sporen
gewist. De man zoekt in zijn krant wat hij mist,
wat hem stoort, boven het hoofd hangt en wie
zich vergist. De vrouw slaapt, wordt niet gehoord.
De torenklok, op de tijd achteruit, slaat geloofd
zij de heer om zich heen en de huizen rollen
als egels op elkaar in. Een schoorsteen hoest,
werpt een koord, sputtert tegen. Het dorp dooft.
Nog steeds zet de man geen voet aan de trede,
hij volhardt in de krant die hij vreest. Nog steeds
dat litteken tussen de kaken, niets dat geneest.
Nog steeds geen krakende trap naar beneden.
De vrouw slaapt, de man ontleedt het weerbericht.
Hij vindt haar, boven een plas, ijs op het gezicht.
Wat ik er momenteel uit haal:
- over de personages:
2 personages
een man over wie we heel wat te weten komen
een vrouw over wie we heel weinig te weten komen
- ze slaapt: dat is het enige actieve werkwoord dat erin voorkomt
- voor de rest: ze
wordt niet gehoord (passieve vorm)
- op het einde: de man vindt haar in een bevreemdende/akelige situatie
Tussen de man en de vrouw is er een verband. Welk? Misschien zijn vrouw, dat veronderstel ik, maar het staat er niet letterlijk in. Ik ken de context van het gedicht niet. Daarom een poging tot het beter begrijpen ervan.
- over het gedicht
1ste strofe
Het sneeuwt. Op het plein worden de sporen
gewist. De man zoekt in zijn krant wat hij mist,
wat hem stoort, boven het hoofd hangt en wie
zich vergist. De vrouw slaapt, wordt niet gehoord.
Sneeuwlandschap. Een dorp met een plein. Sporen worden gewist.
bedenking:
- is alleen bedoeld dat de sneeuw in de straat alle sporen uitwist, de straat schoonmaakt?
- gaat het hier over "bepaalde sporen"?
De man is rusteloos, bezorgd, zoekt in de krant, hij is bang, denkt dat hem iets boven het hoofd hangt.
De vrouw komt voor het eerst aan bod. We weten enkel dat ze slaapt.
Dat "wordt niet gehoord", de passieve vorm, intrigeert me --> alsof ze zelf niets actiefs doet, enkel slapen.
2de strofe
De torenklok, op de tijd achteruit, slaat geloofd
zij de heer om zich heen en de huizen rollen
als egels op elkaar in. Een schoorsteen hoest,
werpt een koord, sputtert tegen. Het dorp dooft.
Een beeld van het dorp in de sneeuw. De torenklok is "op de tijd achteruit". Ik interpreteer het als: niet meer van haar tijd, iets van vroeger, een anachronisme komend uit een ver verleden.
"Het dorp dooft": alles wordt stil. Eigenlijk interpreteer ik het als: het wordt avond, maar niet helemaal zeker.
("werpt een koord" begrijp ik niet)
3de strofe
Nog steeds zet de man geen voet aan de trede,
hij volhardt in de krant die hij vreest. Nog steeds
dat litteken tussen de kaken, niets dat geneest.
Terug naar de man.
De man leest nog steeds in de krant, de krant "die hij vreest"--> hij is bang dat hem iets over het hoofd hangt (zie 1ste strofe). Hij zet geen voet aan de trede: durft niet gaan slapen??
"nog steeds dat litteken tussen de kaken": een litteken krijgt men omdat men voordien verwond was. Het doet me ook denken aan de uitdrukking "de kaken op elkaar klemmen".
"Niets dat geneest": ik vermoed in de krant: hij vindt (in de krant?) geen verlichting voor zijn zorgen/angsten
4de strofe en laatste regel
Nog steeds geen krakende trap naar beneden.
De vrouw slaapt, de man ontleedt het weerbericht.
Hij vindt haar, boven een plas, ijs op het gezicht.
Deze laatste regels vind ik heel moeilijk.
Er wordt een verband gelegd tussen:
- de krakende trap naar beneden
- de vrouw die slaapt
- de man die het weerbericht leest
- en haar tenslotte vinden boven een plas.
Daarover ben ik nog aan het nadenken. Terwijl ik dit typ heb ik wel al een mogelijke verklaring voor het geheel (die ik voordien niet zag). Maar ik zou graag hebben dat je verder meedenkt. Kijk maar eens onder "Stassijns "op dit forum en en de link naar een interview met hem. Daardoor begrijp ik nu meer.
Dit was het voor nu.
Groetjes. Tiba.