Nu
Ik adem niet, ik zing.
zelfs als ik zucht, klinkt het
per ongeluk alsof ik
een paar noten neurie
die me vannacht, terwijl
ik sliep, zijn voorgezongen.
Het is alsof de lucht
mijn deken is en ik
mijn hoofd het liefst
te rusten leg op het kussen
van mijn longen, de plek
waar ik mijn hartslag hoor
in vierkwartsmaat:
dat ik besta, dat ik besta.
Bart Moeyaert,
uit: Gedichten voor gelukkige mensen,
Querido, Amsterdam 2008
Dat dit gedicht een ode is aan het (levens)optimisme, haalde ik al aan in
car.messageboard.nl/38686/viewtopic.php?t=180
. De titel van de bundel waaruit deze tekst stamt,
Gedichten voor gelukkige mensen spreekt trouwens voor zich.
Op de vormgeving van dit gedicht, dat maar uit een strofe bestaat, ga ik niet verder in. Het leest heel vlot, en Bart Moeyaert maakt hier ook regelmatig gebruik van enjambementen. Rijmen hoort er niet bij.
Leven is ademen, en wij vinden een aantal woorden terug, die terug te voeren zijn rond dit paradigma : ademen, zuchten, (voor)zingen, neuriëen, bestaan, longen. Een aantal van deze werkwoorden verwijzen expliciet naar de toevoer van zuurstof naar het lichaam, anderen verwijzen eerder naar muziek, en daarmee hebben wij een tweede paradigma in dit gedicht : muziek, vierkwartmaat, noten.
Hoe worden deze twee paradigma samengevoegd ? Ik zou zeggen in een derde paradigma, dit van het bed, en het slapen. De lucht, die de dichter toelaat te ademen, en aldus zijn levensvreugde uit te zingen, is als het ware zijn hoofdkussen, waarin hij zich wil neervlijen. Niet alleen de lucht is een kussen, ook de longen, het belangrijkste menselijke orgaan van de ademhaling.
Eigenlijk is de lucht de bron van dit leven, waarin de dichter zich hartstochtelijk onderdompelt. En de plaats waar dit leven te horen is, is de hartstreek. En deze schreeuwt het uit :
dat ik besta, dat ik besta.
De titel van het gedicht verwijst naar de tegenwoordige tijd, maar is volgens mij een tijdloos gegeven.
Rutger