Omdat Emile Verhaeren al meer dan 70 jaar geleden overleden is mogen zijn gedichten alleen in het Frans geplaatst worden.
Er mogen géén vertalingen geplaatst worden tenzij er toestemming is van de uitgever én vertaler.
Leestafel heeft toestemming van Patrick Lateur (via leni) en
toestemming van uitgeverij Lanoo om de vertaling van dit onderstaand gedicht vertaald door Patrick Lateur te plaatsen.
Voor overige vertalingen moet per gedicht toestemming gevraagd worden met vermelding van de bron.
Dettie
Le Passeur d'eau
opgedragen aan Camille Lemonnier
Le passeur d’eau, les mains aux rames,
A contre flot, depuis longtemps,
Luttait, un roseau vert entre les dents.
Mais celle hélas! qui le hélait
Au delà des vagues, là-bas,
Toujours plus loin, par au delà des vagues,
Parmi les brumes reculait.
Les fenêtres, avec leurs yeux,
Et le cadran des tours, sur le rivage,
Le regardaient peiner et s’acharner
De tout son corps ployé en deux
Sur les vagues sauvages.
Une rame soudain cassa
Que le courant chassa,
A flots rapides, vers la mer.
Celle là-bas qui le hélait
Dans les brumes et dans le vent, semblait
Tordre plus follement les bras
Vers celui qui n’approchait pas.
Le passeur d’eau, avec la rame survivante,
Se prit à travailler si fort
Que tout son corps craqua d’efforts
Et que tout son cœur trembla de fièvre et d’épouvante.
D’un coup brusque, le gouvernail cassa
Et le courant chassa
Ce haillon morne vers la mer.
Les fenêtres, sur le rivage,
Comme des yeux grands et fiévreux
Et les cadrans des tours, ces veuves
Droites, de mille en mille, au bord des fleuves,
Suivaient, obstinément,
Cet homme fou, en son entêtement
A prolonger son fol voyage.
Celle là-bas qui le hélait
Dans les brumes hurlait, hurlait,
La tête effrayamment tendue
Vers l’inconnu de l’étendue.
Le passeur d’eau, comme quelqu’un d’airain,
Planté dans la tempête blême
Avec l’unique rame entre ses mains,
Battait les flots, mordait les flots quand même.
Ses vieux regards d’illuminé
Fouillaient l’espace halluciné
D’où lui venait toujours la voix
Lamentable, sous les cieux froids.
La rame dernière cassa,
Que le courant chassa,
Comme une paille, vers la mer.
Le passeur d’eau, les bras tombants,
S’affaissa morne sur son banc,
Les reins rompus de vains efforts.
Un choc heurta sa barque à la dérive,
Il regarda, derrière lui, la rive :
Il n’avait pas quitté le bord.
Les fenêtres et les cadrans,
Avec des yeux fixes et grands,
Constatèrent la fin de son ardeur ;
Mais le tenace et vieux passeur
Garda quand même encor, pour Dieu sait quand,
Le roseau vert entre ses dents.
Emile Verharen
Le Passeur d'Eau komt oorspronkelijk uit : Les Villages Illusoires.
De veerman
voor Camille Lemonnier
De veerman, riemen in de handen,
al heel de tijd in strijd stroomop,
een halm groen riet tussen de tanden.
Maar ach, zij die hem riep,
ginds aan de overzij, over de golven,
en almaar verder, ver over de golven,
zij week in nevelwolken.
De vensterramen met hun ogen,
de torenwijzers op de oever
zagen hem slaven en sloven,
zijn hele lijf gekromd, geplooid,
over de woeste golven.
En plots een riem die brak,
de stroom joeg het stuk wrak
op snelle golven naar de zee.
En zij die naar hem riep,
leek ginder ver in wind en mist
nog wilder met de arm te zwaaien
naar hem die niet te naderen wist.
De veerman, met de riem die overbleef,
begon zo hard te zwoegen nu
dat heel zijn lijf van moeite kraakte,
zijn hart van koorts en angsten rilde.
En eensklaps brak het roer,
de stroming voer
het dode wrakhout naar de zee.
De vensterramen op de oever
als ogen groot en koortsig,
de torenwijzers als verweesde
mijlpalen langs de waterkant :
ze volgden stijf en star
de dwaze man die onverzettelijk
zijn dwaze tocht toch verderzet.
En zij die ginder naar hem riep
gaf in de mist een schreeuw, een schreeuwm
de blik vol angst gericht
op water zonder einde, zonder zicht.
De veerman als een man van staal,
lijkbleek, rechtop, te midden van de storm,
één riem nog in de hand :
hij beukte op de golven, hield toch stand.
Zijn oude zienersogen
doorzochten de spokige ruimte
vanwaar hem steeds de stem bereikte,
een jammerklacht onder een kille lucht.
De laatste roeiriem brak
en als een strohalm bracht
de stroom hem jachtig naar de zee.
De veerman liet de armen hangen
en dof bezweek hij op zijn bank,
vergeefse moeite brak zijn lenden.
Een schok bracht toen zijn sloep op drift,
hij zag de oever achter zich :
hij was niet eens van wal gestoken.
De vensters en de torenwijzers
met ogen groot en strak
waren getuige van zijn laatste ijver :
de veerman oud en taai
hield - God mag weten voor hoelang - toch nog
de halm groen riet tussen de tanden.
Dit gedicht werd in het Nederlands vertaald door Patrick Lateur, en is onder meer terug te vinden in "3000 jaar wereldpoëzie in 500 onsterfelijke gedichten" van Koen Stassijns en Ivo van Strijtem (ISBN 9045015447). Lannoo/Atlas, Tielt/Amsterdam (1996)
_________________
Geduld, eenvoud en mededogen (Tao).
blog.seniorennet.be/mijn_boekenhoekje