Geplaatst: 19 aug 2006 08:05 am
Het kind dat wij waren
Wij leven 't heerlijkst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.
Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeders nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen
verwondering en teêrste vriendelijkheden
Het is het liefst portret aan onze wanden,
dit kind in diepe schoot of wij handen,
met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.
't Eenzame kleine kind, zelf langverdwenen
dat wij zo fel en reedloos soms bewenen
tussen de dode heren en mevrouwen.
E du Perron
uit: 'Parlando'
A.A.M. Slot, Rijswijk, 1930
Wij leven 't heerlijkst in ons vérst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.
Hij denkt heel graag terug aan zijn kindertijd
aan de tijd die je je nog nét herinneren kan (de rand van het geheugen)
toen leek alles mooi maar was het niet, een kind ziet dat niet zo dus.... de leugen van de kindertijd.... (hij noemt het nu een leugen omdat de werkelijkheid anders was maar als kind niet gezien wordt)
Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeder's nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen
verwondering en teerste vriendlikheden
Hij heeft het over die tijd dat hij met tinnen soldaatjes speelde, nog gebeden opzei. De tijd dat zijn moeder hem een nachtzoen gaf en ze een beetje naar parfum rook.
Dit alles is de zuivere (zuiver omdat hij nog kind is) bron waaraan hij met weemoed en blij en met verwondering terugdenkt als een tijd dat alles teer en vriendelijk was.
Het is het liefst portret aan onze wanden,
dit kind in diepe schoot of wijde handen,
met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.
Het portret is een foto, die hij het liefste ziet.
Het kind (hij dus) zit op die foto op een schoot of wordt vastgehouden
maar heeft al wel een blik van wantrouwen, het is vreemd allemaal, wat is dat wat er gebeurd, vraagt hij zich af.
't Eenzame, kleine kind, zelf langverdwenen,
dat wij zo fel en reedloos soms bewenen,
tussen de dode heren en mevrouwen.
Het kind is nu volwassen, geen kind meer (zelf langverdwenen)
en hij vindt het jammer dat hij geen kind meer is, dát kind niet meer is
Daar kan hij fel en zonder rede om huilen (fel en reedloos bewenen)
De dode heren en mevrouwen zijn de mensen op de foto.
Die leven nu niet meer.
Dettie
(toevoegingen/toelichting bijv metrum, alliteratie enz. zijn heel welkom)