Geplaatst: 06 jun 2007 06:06 am
ONDER DE LICHTBOOM
Zoals golven, zonder duidelijk begin,
misschien als rimpeling veroorzaakt
door een vis, zich naargelang de wind,
onstuimig of gedwee, verheffen uit de zee
"hun uitwaaierend schuim al zien
ontbloeien tot bewolking", en een
moment in evenwicht van gravitatie
en cohesie wachten op het breekpunt
waarvoor zij zich gesteld zien door
de wereld der verschijnselen,
zo raakt ook de mens" geboren uit het weids
gebaar van een korrel zand" op de toppen
van zijn bloei, zijn wil, zijn werk, zijn visie,
er plots van doordrongen dat hij ten hemel
dacht te reiken in een almaar magistraler
expanderend vergezicht, maar in feite slechts
zijn idolen achterna stuift op de rimpelloze stranden
terwijl nieuwe kelen fluisteren van het tegenlicht
dat al in de ogen van de volgelingen openbreekt,
verwonderd hoe virtuoos en hoe viriel dat gaat,
en staat men op een dag "het regent zonder twijfel,
onzekerheid beweegt de lucht" onder een boom
in juni, telt als voor het eerst de vingers van zijn
hand, leest in de nerven van een blad de vele
namen van de liefdes die men dacht verdrongen,
en huivert, voelt opnieuw de oude kou van
afscheid nemen, het nieuwe schrijnen in de wond
die ons doet wankelen, en die boom in juni, sacraler
dan een kathedraal, breder dan een boulevard,
staat daar maar" al meer dan honderd jaar.
'O eeuwwende in majeur! Zoveel oorlog,
zoveel vrede! Zoveel juni-avondlicht gefilterd
door de thriller van kanonnen in het oosten,
o zekere val, verraad en bedrog, o heikele taal
van bodem en dood...' Zo dus, onder die boom
in juni terwijl de regen overdrijft, voelt men het ik
als een luis in de kartonnen behuizing der ratten,
en zo: verval, degeneratie" niettemin een ik,
alleen, zichzelf en de wereld nooit genoeg,
de ladder van verlangens languit in...
... nee, geen stad vol nachtegalen nu,
geen zingende ontknoping van de som
der dictaturen. Slechts in het domein
van wind en wild en water, gedijt
van die boom het gewichtige licht,
orakelen zijn vogels, schildert hij
een rode schaduw en een zwarte zon
op het prisma van de akkers, en in
het zilverblauwe maanlicht op de sky-line
van kobalt de taal van het ontwaken als
gras en bloemen en insecten zoemend
rond de radio, een moeder in de nacht
die haar kind niet meer verwacht,
de taal van later en later, het zoet kabaal
van water, het klinken van de drinkers,
het tinken van de klinkers, het beregend
asfalt vol vertekende gezichten, lantaarns
die zacht weerspiegelen in het dijkbasalt,
en het zuchten van de sterren, desnoods
een traantje van het maantje" vol of al
ontploft. Zo onder een boom in juni
op een maandag zal het zijn dat men zich
betrapt op het kale feit van zijn bestaan.
Geven wij die mens een naam, noemen wij
haar Hera. Zo onder die volle warme boom,
een es, een iep, een populier, stond Hera
op een juni-nacht, nogal aangeschoten en ook
enigszins verliefd, een ogenblik te schuilen
voor een onweersbui, toen haar de gedachte trof
dat zij als een golf haar hoogste punt al naderde
en nóg geen inzicht van belang veroverd had!
De hemel verduisterde, geuren regenden neer
uit die es of iep of populier, en met zware adem
voelde Hera in haar stromen wat haar
voortaan stond te doen: elk moment
bestendigen in zo'n gelaagde schildering
dat die de tand, nee, heel het gebit des tijds
weerstaan zou, uit zou stijgen boven
elke stem in de omgeving en wegvliegen
op vleugels van kleur en van muziek.
Pieter Boskma
uit: De aardse komedie
Prometheus 2002
Met dank aan Wouter