Vertaling door Lezer100
Amor blijft een schelm, en wie hem vertrouwt, wordt bedrogen !
Huichelend kwam hij naar mij : “Ditmaal slechts vertrouw mij nog.
Ik meen het ernstig met jou : jij hebt je leven en je poëzie,
ik erken het, dankbaar, en vereer het.
Zie, jou ben ik nu zelfs naar Rome gevolgd ; ik zou
je in vreemde oorden graag wat prettigs bezorgen.
Elke reizende klaagt, dat hij slecht onthaal vindt,
wie door Amor aanbevolen wordt, die wordt kostelijk onthaald.
Jij bekijkt met verbazing de ruïnes van oude gebouwen
en doorkruist met zin deze geheiligde ruimte.
Jij vereert nog meer de waardevolle resten van de beelden
van menig kunstenaar, die ik steeds in de werkplaats bezocht.
Deze figuren, ik vormde ze zelf ! Vergeef mij, ik bluf
dit maal niet ; je geeft toe, dat wat ik je zeg, waar is.
Nu jij me achtelozer dient, waar zijn de mooie figuren ;
waar de kleuren, de glans van je uitvindingen naar toe ?
Denk jij nu opnieuw te vormen, o vriend ? De school der Grieken
Bleef nog open, de deur werd door de jaren niet gesloten.
Ik, de leraar, ben eeuwig jong, en houd van de jongen.
Vroegrijp houd ik niet van jou ! Monter ! Begrijp me wel !
Was de antieke oudheid nog nieuw, toen die gelukkigen leefden !
Leef gelukkig, en zo leeft de voortijd in jou !
Onderwerpen voor een lied, waar vind je ze ? Ik moet ze je geven,
en de hogere stijl leert de liefde je slechts.”
Aldus sprak de sofist. Wie zou hem tegenspreken ? en jammer genoeg
ben ik gewend te volgen, wanneer de gebieder gebiedt. –
Nu, verraderlijk houdt hij zijn woord, geeft onderwerpen voor gezangen,
ach, en rooft hij mij de tijd, kracht en bezinning tegelijk ;
blik en handdruk, en kussen, gemoedelijke woordjes,
lettergrepen van kostelijke zinnen wisselt een minnend paar.
Dan wordt lispelen tot geklets, wordt stotteren een liefelijk gesprek :
zo’n hymne weerklinkt zonder prosodische maat.
Jou, Aurora, hoe kende ik je anders dan als vriendin van de muzen ?
Heeft Amor, de lichtzinnige, ook jou, Aurora, verleid ?
Je verschijnt me nu als zijn vriendin, en wekt
mij aan zijn altaar weer voor een feestelijke dag.
Vind ik de volheid van lokken aan mijn boezem ! het hoofdje
rust en drukt op de arm, die zich slingert om de hals.
Wat een vreugdevol ontwaken ontvingen jullie, rustige uren,
voor mij het monument van de lust, die ons in slaap wiegde ! –
zij beweegt zich sluimerend, en zinkt weg in de breedte van het bed,
weggedraaid ; en toch blijft haar hand in mijn hand.
Hartelijke liefde verbindt ons steeds en trouw verlangen,
en de wissel behield slechts de begeerte voor zich.
Een druk van de hand, ik zie de hemelse ogen
weer open. – O neen ! laat mij op de vorm rusten !
Blijf gesloten ! jullie verwarren mij, en maken mij dronken, jullie beroven
mij te vroeg van het stille genot van een zuiver aanschouwen.
Deze vormen, zo groot ! hoe edel zijn de leden !
Sliep Ariadne zo mooi, dat je kon vluchten, Theseus ?
Een enkele kus voor deze lippen ! O Theseus, scheid nu !
Kijk haar in de ogen ! Zij ontwaakt ! – Eeuwig houdt zij je nu vast.
Lezer100